594984
76
Zoom out
Zoom in
Vorherige Seite
1/78
Nächste Seite
Die Abbildungen in dieser Anleitung zeigen die Leica S. In Bezug auf Funktionsweise sind beide
Modellvarianten identisch. Die Modellvariante Leica S-E unterscheidet sich von dieser durch
einige äußere Details und einen anderen Lieferumfang:
Leica Protection Plan S Body (Bestellnummer: 16033) nicht enthalten
Leica USB Kabel S (Bestellnummer: 16014) nicht enthalten
Leica Blitzsynchronkabel S (Bestellnummer: 16031) nicht enthalten
Diese Produkte sind als Zubehör erhältlich.
De afbeeldingen in deze gebruiksaanwijzing zijn van de Leica S. Wat hun functioneren betreft, zijn
beide modeltypen identiek. Het modeltype Leica S-E verschilt hiervan alleen door enkele uiterlijke
details en de leveringsomvang:
Leica Protection Plan S Body (bestelnummer: 16033) niet meegeleverd
Leica USB-kabel S (bestelnummer: 16014) niet meegeleverd
Leica flitssynchronisatiekabel S (bestelnummer: 16031) niet meegeleverd
Deze producten zijn eveneens leverbaar als toebehoren.
The figures in this manual show the Leica S. However, in terms of their functioning the two
models are identical. The Leica S-E model only differs in terms of a few exterior details and the
items supplied:
Leica Protection Plan S Body (order number: 16033) not included
Leica USB cable S (order number: 16014) not included
Leica flash sync cable S (order number: 16031) not included
These products are available as accessories.
Le figure del presente manuale mostrano la Leica S. Per quanto riguarda il funzionamento
entrambe le varianti di modello sono identiche. La variante Leica S-E si differenzia dal modello in
oggetto per alcuni dettagli esterni e per il materiale in dotazione:
Leica Protection Plan S Body (cod. ord.: 16033) non incluso
Cavo USB Leica S (cod. ord.: 16014) non incluso
Cavo di sincronizzazione flash Leica S (cod. ord.: 16031) non incluso
Questi prodotti sono disponibili come accessori.
Les illustrations de ce mode d‘emploi présentent l‘appareil Leica S. Le fonctionnement des deux
variantes du modèle est identique. Il ne se distingue du modèle Leica S-E que par quelques
détails extérieurs et les éléments avec lesquels il est livré:
Plan de protection de Leica pour boîtier S (réf.: 16033) non inclus
Câble USB Leica S (réf: 16014) non inclus
Câble de synchronisation du flash Leica S (réf: 16031) non inclus
Ces produits sont disponibles comme accessoires.
Las imágenes de este manual muestran la Leica S. En cuanto al modo de funcionamiento, ambas
variantes del modelo son idénticas. La variante del modelo Leica S-E solo se diferencia de esta
por algunos detalles externos y por el volumen de suministro:
Leica Protection Plan S Body (Nº ref.: 16033) no incluido
Cable USB S Leica (Nº ref.: 16014) no incluido
Cable de sincronización para flash S Leica (Nº ref.: 16031) no incluido
Estos productos están disponibles como accesorios.
LEICA S-E
此说明书中的插图是徕卡 S。在功能方面,两款衍生型号都完全相同。衍生型号莱卡
S-E 与本款的区别在于一些外部细节和不同的供货范围:
不包括徕卡 Protection Plan S Body(订单号:16033)
不包括徕卡 USB 连接线 S(订单号:16014)
不包括徕卡闪光同步线 S(订单号:16031)
这些产品作为配件可供购买。
본 설명서에 들어 있는 그림들은 Leica S에 관한 그림들입니다. 두 모델은 기능 면에
서 동일합니다. Leica S-E 모델은 외부 디테일과 다음과 같은 한 가지 제공품 범위만
본 제품과 다릅니다.
- Leica 보호 플랜 S 바디(주문 번호: 16033) 미포함
- Leica USB 케이블 S(주문 번호: 16014) 미포함
- Leica 플래시 동기화 케이블(주문 번호: 16031) 미포함
이 제품들은 액세서리로 구입할 수 있습니다.
本說明書內的圖片展示的是徠卡S。兩種型號的工作原理是相同的。徠卡 S-E 與此機種只
在外觀以及出貨內容上有些許差異。
- 徠卡 Protection Plan S Body(S 機體保護方案)(訂購編號16033)不包含
- 徠卡 USB 線 S(訂購編號16014)不包含
- 徠卡同步閃光導線 S(訂購編號16031)不包含
可以作為配件購買這些產品。
На рисунках, имеющихся в данной инструкции, показан фотоаппарат Leica S. Обе версии
модели идентичны по своему принципу действия. Версия модели Leica S-E отличается от этой
некоторыми внешними деталями и другим комплектом поставки:
Leica Protection Plan S Body (номер для заказа: 16033) не входит
Кабель USB Leica S (номер для заказа: 16014) не входит
Кабель для синхронизации фотовспышки Leica S (номер для заказа: 16031) не входит
Эти продукты можно приобрести в качестве принадлежностей.
本書では、 Sのイを使用ていカ S-Eカ Sは仕様は同です
が、一部デザンが異な
た、カ S-Eには以下のサービスおびアセサーは付属ません。
- プロ Sボデコード番号16033)
- LEMO® USBケブルSコード番号16014)
- LEMO® ロケブルコード番号16031)
のサースおびアセサーは別売です
93 605 VIII/14/AAV/D
Leica Camera AG
I
Am Leitz-Park 5
I
35578 WETZLAR
I
DEUTSCHLAND
I
Telefon +49 (0) 6441-2080-0
I
Telefax +49 (0) 6441-2080-333
I
www.leica-camera.com
LEICA S-E
my point of view
LEICA S
Gebruiksaanwijzing
933 95 XII/13/ FLV/B&S
Leica Camera AG
I
Oskar-Barnack-Straße 11
I
35606 SOLMS
I
DEUTSCHLAND
Telefon +49 (0) 6442-208-0
I
Telefax +49 (0) 6442-208-333
I
www.leica-camera.com
Trademark of the Leica Camera Group /
®
Registered Trademark
©
2012 Leica Camera AG
1.28
1.26
1.27
1.25 1.21 1.201.24 1.221.23
1.16 1.171.15
1.18
1.19
1.6
1.10
1.11
1.12
1.13
1.13a
1.13b
1.9
1.8
1.6
1.7
1.14c 1.14a 1.14b 1.14
1.1
1.2 1.3
1.5c 1.5a 1.51.5b
1.4
1.50a
1.50b
1.50
1.49
1.49a
1.45a
1.45
1.47
1.46
1.48
1.44
1.42
1.43
1.49b
1.33
1.32
1.31
1.34
1.29a
1.29
1.30
1.361.38 1.371.37b1.37a 1.37c/d
1.35
1.39
1.40
1.40a 1.411.40b
LEICA S
Gebruiksaanwijzing
3
VOORWOORD
Geachte klant
Leica dankt u voor de aanschaf van de Leica S en feliciteert u met deze
beslissing. U hebt met deze unieke digitale middenformaat-spiegelreflex-
camera een uitstekende keuze gemaakt.
Wij wensen u veel plezier en succes bij het fotograferen met uw nieuwe
Leica S.
Om de mogelijkheden van deze camera volledig te kunnen benutten,
adviseren wij u eerst deze handleiding te lezen.
Uw Leica Camera AG
Deze handleiding werd op 100% chloorvrij-gebleekt papier gedrukt, waarvan het kost-
bare productieproces het oppervlaktewater ontziet en daarmee het milieu spaart.
Opmerking
Leica werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling en optimalisering
van de Leica S. Omdat bij digitale camera’s zeer veel functies uitsluitend
elektronisch worden gestuurd, kunnen verbeteringen en uitbreidingen
van functies naderhand in de camera worden geïnstalleerd. Om deze
reden biedt Leica in onregelmatige intervallen zogenaamde firmware-
updates aan. De camera's worden in principe al in de fabriek met de
nieuwste firmware uitgerust, maar u kunt deze ook zelf op eenvoudige
wijze van onze homepage downloaden en op uw camera overdragen.
Als u zich als eigenaar op de Leica Camera homepage registreert, dan
wordt u via de newsletter van de beschikbaarheid van een firmware-
update op de hoogte gesteld.
Verdere informatie omtrent de registratie en de firmware-updates van uw
Leica S evenals eventuele wijzigingen en toevoegingen bij de uitleg in de
handleiding vindt u in het „Owners’ Login“ onder:
https://owners.leica-camera.com
Of uw camera en uw objectieven met de nieuwste firmwareversie zijn
uitgerust, kunt u in het menupunt
Firmware nakijken (5.41, zie p. 16,
26-29).
4
INHOUDSOPGAVE
Voorwoord ........................................................................................3
Waarschuwingen ...............................................................................6
CE-verwijzing ....................................................................................6
Juridische opmerkingen .....................................................................6
Milieuvriendelijk afvoeren elektrische en elektronische apparatuur .....6
Leveringsomvang .............................................................................7
Aanduiding van de onderdelen ..........................................................8
De indicaties
In de zoeker ..................................................................................10
Op het display aan de bovenzijde .................................................. 11
Op het LCD-scherm ...................................................................... 12
De menupunten .............................................................................. 16
Voorbereidingen
Aanbrengen van de draagriem ......................................................... 18
Opladen van de batterij ................................................................... 18
Batterij in de camera plaatsen / uit de camera verwijderen ............. 21
Indicaties batterijconditie ............................................................. 21
Plaatsen en vervangen van de geheugenkaarten .............................. 21
Instelglas vervangen ........................................................................23
Leica S-objectieven ......................................................................... 24
Plaatsen en verwijderen van het objectief...................................... 24
Instellen van het oculair ...................................................................25
In- en uitschakelen van de camera ..................................................25
De menubediening ..........................................................................26
Navigeren in het menu / Opties instellen ......................................26
Sneltoegang tot menuopties ......................................................... 29
Voorinstellingen
Camera-basisinstellingen
Menutaal ...................................................................................30
Datum en tijd .............................................................................30
Automatische uitschakeling ........................................................30
Geluidssignalen .......................................................................... 31
LCD-scherm en display aan bovenzijde ....................................... 31
Opname-basisinstellingen
Bestandsformaat ........................................................................ 32
Compressiegraad ....................................................................... 32
JPEG-resolutie ............................................................................ 32
Witbalans ...................................................................................33
Automatische en vaste instellingen ..........................................33
Direct instellen van de kleurtemperatuur ..................................33
Handmatig instellen door meting ..............................................33
ISO-gevoeligheid ........................................................................34
Beeldeigenschappen (contrast, scherpte, kleurverzadiging) .........35
Werkkleurruimte .........................................................................35
Opslag van beeldgegevens / geheugenkaartenbeheer .................35
Opnamemodus
De ontspanner ..............................................................................36
Serie-opnamen ..........................................................................36
Afstandsinstelling ......................................................................... 37
Handmatig scherpte instellen -
MF ............................................. 37
Automatisch scherpte instellen ................................................... 37
AFs – Scherpteprioriteit............................................................ 37
AFc – Ontspannerprioriteit ....................................................... 37
Belichtingsmeting .........................................................................38
Belichtingsmeetmethoden ..........................................................38
Spotmeting..............................................................................38
Centrum-georiënteerde meting ................................................38
Meerveldmeting ......................................................................38
Meetwaarde-opslag ....................................................................38
Opslaan met de 5-richtingsknop ..............................................39
Belichtingscorrecties .................................................................. 39
Belichtingsreeksen .....................................................................40
Over- en onderschrijding van meetbereik .................................... 41
Belichtingsregeling
Instellen van sluitertijd en diafragma / Keuze van ....................... 42
Belichtingsprogramma
Sluitertijdenwiel ......................................................................... 42
Instelwiel ................................................................................... 42
De belichtingsprogramma's ........................................................ 42
Programma-automaat ..............................................................44
Programma-shift ......................................................................44
Tijdautomaat ...........................................................................44
Diafragma-automaat ................................................................45
Handmatige instelling van diafragma en belichtingstijd .............45
De
B-instelling .......................................................................46
Fotograferen met de zelfontspanner ..............................................46
Spiegel voorontspannen ............................................................... 47
Scherptediepte-voorbeeldknop en scherptediepte ........................ 47
Overige opties
Horizon ......................................................................................48
Gebruikers- / programmaprofielen .............................................48
Terugzetten van alle individuele instellingen ................................ 49
Mappenbeheer ........................................................................... 49
Formatteren van geheugenkaarten ..............................................50
Registratie van opnamelocatie met GPS ..................................... 51
Flitsprogramma
Algemene informatie over meting en regeling flitsbelichting ......... 52
Geschikte flitsapparaten ............................................................. 52
Flits-synchronisatietijd ............................................................... 52
Kiezen van synchronisatietijd / synchronisatietijd-bereik ............53
Keuze van het synchronisatietijdstip .........................................53
Flitsapparaat monteren ............................................................53
De instellingen van het door de camera geregelde,
automatische flitsprogramma ........................................................53
TTL-flitsprogramma.....................................................................54
Lineair flitsprogramma (HSS) ......................................................54
Stroboscopisch flitsen met systeemcompatibele flitsapparaten ...54
De controle-indicaties van de flitsbelichting in de zoeker voor
systeemcompatibele flitsapparaten .................................................54
Flitsen met de computer-automaat in de flitsapparaten ...............54
Handmatig flitsen met constant flitsvermogen ............................55
Flitsen via het X-contact .............................................................55
Flitsen m.b.v. de flitsaansluiting/onderste LEMO
®
-aansluiting ....55
Weergavemodus
Kiezen van de opname- en weergavemodi .....................................56
Weergave voor onbeperkte tijd ...................................................56
Automatische weergave van de laatste opname ..........................56
Normale weergave ........................................................................56
Weergave met histogram............................................................... 57
Het histogram ............................................................................ 57
Weergave met clipping-indicatie .................................................... 57
INFO-weergave .............................................................................. 57
Bekijken van andere opnamen / „bladeren“ in het geheugen .........58
Vergroten van een fragment........................................................58
In stappen vergroten ................................................................58
Maximale vergroting in één stap ...............................................58
Verschuiven van een fragment .................................................... 59
Gelijktijdig bekijken van meerdere verkleinde opnames .................... 59
Selectie van een van de verkleinde opnamen ........................... 59
Naar een andere geheugenkaart wisselen .................................60
Beschermen van opnamen / opheffen van de wisbescherming .....60
Wissen van opnamen .................................................................... 61
Overige functies
Gegevensoverdracht naar een computer ..................................... 62
Via USB-verbinding .................................................................. 62
Aansluiting en gegevensoverdracht volgens PTP-protocol ....... 62
Aansluiting en gegevensoverdracht met de camera
als extern station ...................................................................63
Aansluiting en gegevensoverdracht met kaartlezers ..................63
Datastructuur op de geheugenkaart ............................................63
Adobe
®
Photoshop
®
Lightroom
®
................................................63
Leica Image Shuttle ....................................................................63
Installeren van firmware-updates ................................................64
HDMI diashow ...........................................................................65
Overige zaken
De systeemaccessoires ................................................................65
Wisselobjectieven ......................................................................65
S-adapter ...................................................................................65
Verwisselbare instelringen ..........................................................65
Leica SF 58 ................................................................................65
Multifunctionele handgreep S .....................................................65
Handgreep-lus S .........................................................................65
Professionele batterijlader S ......................................................65
Netadapter S ..............................................................................65
Draadontspanner S ....................................................................65
Verbindingskabel ........................................................................65
Reserve-onderdelen ...................................................................65
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud ...........................................66
Algemene voorzorgsmaatregelen ................................................66
LCD-scherm en display aan bovenzijde ....................................66
Sensor .....................................................................................66
Condens ..................................................................................66
Onderhoudstips ......................................................................... 67
Voor de camera ....................................................................... 67
Voor objectieven ...................................................................... 67
Voor de batterij ........................................................................ 67
Voor de batterijlader ................................................................ 67
Voor geheugenkaarten ............................................................. 67
Reinigen van de sensor ...............................................................68
Opbergen ................................................................................... 69
Trefwoordenregister ......................................................................70
Technische gegevens .................................................................... 72
Leica Akademie ............................................................................ 74
Leica op internet ........................................................................... 74
Leica informatiedienst................................................................... 74
Leica klantenservice ..................................................................... 74
5
6
WAARSCHUWENDE OPMERKINGEN
Moderne elektronische elementen reageren gevoelig op elektrostati-
sche ontlading. Omdat mensen tijdens bijv. het lopen over synthetisch
tapijt al snel een lading van tienduizenden volt kunnen ontwikkelen, kan
er een ontlading ontstaan als u uw Leica S aanraakt, vooral als deze op
een geleidende ondergrond ligt. Wanneer het alleen de camerabehui-
zing betreft, is deze ontlading voor de elektronica absoluut ongevaar-
lijk. De elektronica is weliswaar extra beveiligd, maar raak toch vooral
de naar buiten lopende contacten, zoals die in de camerabodem, zo
min mogelijk aan.
Gebruik voor het eventueel schoonmaken van de contacten geen opti-
sche microvezeldoekjes (synthetisch), maar een katoenen of linnen
doek! Wanneer u van tevoren bewust een verwarmingsbuis of waterlei-
ding (geleidend, met „aarde“ verbonden materiaal) aanraakt, zal een
eventuele elektrostatische lading veilig worden ontladen. Vermijd ver-
vuiling en oxidatie van de contacten, ook door uw Leica S altijd met een
objectief of bajonetdeksel op de camera droog op te bergen!
Gebruik uitsluitend aanbevolen accessoires om zodoende
storingen, kortsluitingen of elektrische schokken te vermijden.
De Leica S is beschermd tegen spatwater en stof.
Hij mag echter niet continu aan regen worden blootgesteld.
Probeer nooit onderdelen van de body (afdekkingen) te verwijderen;
vakkundige reparaties kunnen alleen door een erkend servicepunt wor-
den uitgevoerd.
De CE-markering van onze producten geeft aan dat de
basiseisen van de betreffende geldende EU-richtlijnen in
acht worden genomen.
JURIDISCHE OPMERKINGEN
Neem zorgvuldig het auteursrecht in acht. Het kopiëren en uitgeven van
zelf opgenomen media, zoals banden, cd's, of door anderen uitgegeven
of gepubliceerd materiaal kan het auteursrecht schenden.
Dit geldt net zo voor alle meegeleverde software.
Die SD-, HDMI-, CF- en USB-logo's zijn handelsmerken
Ook andere namen en bedrijfs- en productnamen die in deze
handleiding worden genoemd, zijn handelsmerken, resp. gedeponeer-
de handelsmerken van de betreffende ondernemingen.
MILIEUVRIENDELIJK AFVOEREN
ELEKTRISCHE EN ELEKTRONISCHE
APPARATUUR
(geldt voor de EU en overige Europese landen met geschei-
den inzameling)
Dit toestel bevat elektrische en/of elektronische
onderdelen en mag daarom niet met het normale huisvuil worden mee-
gegeven! In plaats daarvan moet het voor recycling op door de gemeen-
ten beschikbaar gestelde inzamelpunten worden afgegeven. Dit is voor
u gratis.
Als het toestel zelf verwisselbare batterijen of accu’s bevat, moeten deze
vooraf worden verwijderd en eventueel door uzelf volgens de wet worden
afgevoerd. Meer informatie over dit onderwerp is verkrijgbaar bij uw
gemeente, uw afvalverwerkingsbedrijf of de zaak waar u het toestel hebt
gekocht.
LEVERINGSOMVANG
Controleer, voordat u uw Leica S in gebruik neemt, de meegeleverde
accessoires op volledigheid.
A. Batterij
B. Snellader S
C. Verwisselbare netstekker
D. USB-verbindingskabel met LEMO
®
-stekker
E. Draagriem
F. Bajonetdeksel
G. Oculairkapje
H. Synchronisatiekabel met LEMO
®
-stekker
7
8
AANDUIDING VAN DE ONDERDELEN
Vooraanzicht
1.1 Ontspanner
1.2 Zelfontspanner-LED / Sensor voor witbalans
1.3 GPS-antenne
1.4 Diafragmeer-/functieknop
1.5 Bajonet met
a. contactstrip
b. Indexpunt om het objectief tegen te plaatsen
c. Ontgrendelingsknop
Bovenaanzicht
1.6 Draagriembeugel
1.7 Venster voor afstandsschaal
1.8 Afstands-instelring
1.9 Bajonet voor tegenlichtkap
1.10 Rode indexknop om objectief te wisselen
1.11 Sluitertijdenwiel met extra klikstanden voor
-
AUTO (automatische besturing van de sluitertijd in en )
-
B (Langdurige belichting)
-
(Flits-synchronisatietijd)
1.12 Display aan de bovenzijde
1.13 Dioptrieën-instelring met
a. Schaal
b. Oogschelp
1.14 Flitsschoen met
a. (Ontstekings-) contact midden
b. Besturingscontacten
c. Gat voor borgpen
Achteraanzicht
1.15 Hoofdschakelaar met klikstanden
a.
OFF Camera uitgeschakeld
b.
FPS Camera ingeschakeld, spleetsluiter geactiveerd
c.
CS Camera ingeschakeld, centraalsluiter geactiveerd
1.16 Zoeker
1.17 5-richtingsknop
1.18 Instelwiel
1.19 Kapje (gesloten)
1.20 LED voor opname / gegevensopslag op kaart
1.21 Menubedienings-/functieknop
1.22 Menubedienings-/functieknop
1.23 LCD-scherm
1.24 Menubedienings-/functieknop
1.25 Menubedienings-/functieknop
1.26 Kapje (gesloten)
1.27 Kapje
(gesloten)
1.28 Helderheidssensor
9
Beeld van rechts (zonder kapje)
1.29 CF-kaartsleuf met
a. Uitwerpknop
1.30 SD-kaartsleuf
Beeld van links (zonder kapjes)
1.31 Genormeerde flitssynchronisatie-aansluiting
1.32 HDMI-aansluiting
1.33 LEMO
®
-USB-aansluiting
1.34 LEMO
®
-draadontspanner-/ flitssynchronisatie-aansluiting
Onderaanzicht
1.35 Pasgat voor paspen van de multifunctionele handgreep
1.36 Kap
1.37 Statiefplaat met
a.
1
/
4
schroefdraad
b.
3
/
8
schroefdraad
c.-d. pasgaten tegen verdraaien
1.38 Batterij-ontgrendelingshendel
1.39 Batterij
1.40 Batterijvak (batterij verwijderd) met
a. Contacten
b. Geleidingsrail
1.41 Contactstrip voor multifunctionele handgreep (deksel verwijderd)
Batterij
1.42 Contacten
1.43 Geleidingsgroef
1.44 Aansluiting laderstekker
Oplaadapparaat
1.45 Vast batterij-verbindingssnoer met
a. 3-polige stekker
1.46 Oranje (
80%) LED als batterijstand-indicatie
1.47 Groene (
CHARGE) LED als indicatie van het laden
1.48 2-polige aansluiting voor auto-laadsnoer
1.49 Verwisselbare netstekker (Euro/GB/AUS) met
a. Ontgrendelingsknop
b. USA-netstekker (verwisselbare stekker verwijderd)
1.50 Auto-laadsnoer met
a. 2-polige stekker voor lader
b. stekker voor sigarettenaansteker
DE INDICATIES
2. In de zoeker
2.1 Horizon
(kantelen om de lengte-as/om de dwars-as; indicaties geven de
kanteling weer, met de wijzers van de klok mee; andere richtingen
worden analoog weergegeven)
a.
max. ±0,5°
b.
0,5-2,5°
c.
2,5-5°
d.
5-10°
e.
knipperend 10°
2.2 Sluiter-/belichtingstijd
a. handmatig ingestelde waarde in
en , automatisch gestuur-
de waarde in
en ; indicatie in halve stappen, of
b.
(high) of (low) voor over- of onderbelichting in de auto-
matische belichtingsprogramma's
, , en door flitslicht
ofwel
voor onderschrijden meetbereik.
c.
B-instelling voor langdurige belichting
d.
Waarschuwing voor volle geheugenkaart
2.3 Belichtingsprogramma
a.
= Programma-automaat
b.
= Tijdautomaat
c.
= Diafragma-automaat
d.
= handmatige instelling van sluitertijd en diafragma
2.4 diafragma, handmatig ingestelde waarde in
en , automatisch
gestuurde waarde in
en ; indicatie in halve stappen
2.5 Flitsindicaties
a.
Brandt = flitsparaatheid,
Knippert = flitsapparaat laadt op, geen flitsparaatheid
b.
Brandt = sluitertijd Synchronisatietijd ingesteld
2.6 Lichtschaal
(markeringen: per
1
/
2
EV-stap, laatste markeringen/
cijfers knipperen bij -3EV/+3EV ) voor indicatie van
a. handmatig belichtingsregeling,
b. afwijking van de actuele meting van de opgeslagen belich-
tingsinstelling (met meetwaarde-opslag in de automatische
belichtingsprogramma's
, , )
c. belichtingscorrecties
2.7 Focusindicaties
a.
verschijnt alleen in handmatige modus ofwel bij handmatig
oversturen van de AF: brandt continu bij te verre instelling
b.
bij handmatige modus: brandt continu bij juiste instelling
- bij
AFs: brandt continu bij juiste instelling, knippert als
juiste instelling niet mogelijk,
- bij
AFc: brandt continu bij juiste instelling, gaat uit als
scherpstellen opnieuw start,
c.
verschijnt alleen in de handmatige modus ofwel bij hand-
matig oversturen van AF: brandt continu als instelling te
kort
2.8 Indicatie dat een belichtingscorrectie /
flits-belichtingscorrectie is ingesteld
2.9 Pictogram van de meetmethode
a.
= Meerveldmeting
b.
= Centrum-georiënteerde meting
c.
= Spotmeting
2.10 Beeldteller
a.
= Resterend aantal opnamen
b.
= Externe opslag
c.
(met 2Hz knipperend) = geheugenkaarten vol
d.
(met 2Hz knipperend) = geen geheugenkaarten
e.
= Maximumaantal bij serie-opnamen
f.
= Foutmelding
2.11 Gevoeligheidsindicaties
a.
bij handmatige instelling
b.
bij automatische instelling
c.
momenteel ingestelde gevoeligheid
Opmerking:
De zoeker-lcd is in principe altijd verlicht als de camera voeding heeft
(zie hiervoor „Inschakelen van de camera, zie p. 25). De helderheid van
deze verlichting wordt voor optimale leesbaarheid automatisch aan het
omgevingslicht aangepast.
10
2.2 2.32.1 2.6 2.5b
2.7
2.9 2.10 2.11 c
2.11a/b
2.4 2.6 2.8 2.11b
2.5a
a b c
11
DE INDICATIES
3. Op het display aan de bovenzijde
Startbeeld
(verschijnt 4s lang nadat de camera voeding krijgt - kan altijd naar stan-
daardbeeld worden omgeschakeld door op de ontspanner te tippen)
3.1 Datum
3.2 Tijd
3.3 Mapnaam
3.4 Opname-paraatheid
3.5 Resterend aantal opnamen (ong.), ofwel waarschuwing (zie 3.7)
3.6 Batterijcapaciteit (rechts voor camerabatterij, evt. links voor bat-
terij in handgreep)
3.7 Gebruikte geheugenkaart, ofwel waarschuwingen (rood):
No card = geen geheugenkaart geplaatst
Full = geselecteerde geheugenkaart vol
Error = kaartfout
Standaardbeeld
(witte indicaties: handmatig ingesteld; gele indicaties: met instelwiel
ingesteld; groene indicaties: automatisch gestuurd; blauwe indicaties:
via kabel vanuit pc gestuurd)
3.8 Belichtingsprogramma
3.9 a. +/- Belichtingscorrectie ingesteld
b.
+/0/- Volgorde van een automatische belichtingsserie:
overbelichte / juist belichte / onderbelichte opname
3.10 Program shift ingesteld
3.11 Diafragma
3.12 Sluitertijd
3.13 Langdurige belichting
3.14 a. Filmgevoeligheid
of, indien de betreffende optie is geactiveerd:
b. Belichtingsreeks ingesteld (links functiepictogram; verschijnt
afwisselend met c. als c. eveneens is geactiveerd; rechts opna-
me-nummer/-aantal)
c. Knoppenblokkering ingesteld (verschijnt afwisselend met het
functiepictogram van b., als b. eveneens is geactiveerd)
3.1
3 .11
3.12
3.14
3.2
3.3
3.4
3.5
3.7
3.8
3.13
3.14b3.14c
3.6
3.93.93.9 3.10
12
DE INDICATIES
4. Op de LCD-scherm
4.1 Weergave opnamegegevens
4.1.1-.4 Functies van de knoppen (1.21/.22/.24/.25)
4.1.5 Kleurruimte
4.1.6 JPEG-compressie/-resolutie
4.1.7 DNG-compressie
4.1.8 Witbalans
4.1.9 Brandpuntafstand
4.1.10 Schaal voor belichtingscorrecties/lichtschaal
4.1.11 Pictogram voor sluitertijden die met normale
flitsfuncties kunnen worden toegepast
4.1.12 Pictogram voor
a.
Enkele opnamen
b.
Serie-opnamen
c.
Zelfontspanner-modus
4.1.13 Belichtings-meetmethode
4.1.14 Flitssynchronisatie-tijdstip
4.1.15 Belichtingsserie
4.1.16 Spiegel voorontspannen
4.1.17 GPS-ontvangst
a.
laatste positiebepaling maximaal 1min geleden
b.
laatste positiebepaling maximaal 24hr geleden
c.
laatste positiebepaling minstens 24h geleden,
of er zijn geen positiegegevens
4.1.18 Knoppen geblokkeerd
4.1.19 Batterijcapaciteit (rechts voor camerabatterij,
evt. links voor batterij in handgreep)
4.1.20 Gebruikte geheugenkaart
4.1.21 Opname-aantal
4.1.22 Scherpte-instelmodus
4.1.23 Sluitertijd
4.1.24 Diafragma
4.1.25 Belichtingsmodus
4.1.26 Gevoeligheid
4.1.27 Belichtings-correctiewaarde
4.1.27
4.1.3
4.1.26
4.1.25
4.1.21
4.1.22
4.1.23
4.1.20
4.1.24
4.1.2
4.1.4
4.1.5
4.1.6
4.1.7
4.1.8
4.1.9
4.1.10
4.1.11
4.1.1
4.1.12
4.1.13 4.1.15 4.1.17 4.1.19
4.1.14 4.1.16 4.1.18
4.2 Normale weergave
(beeld/en op volledig scherm)
4.2.1 Sluitertijd
4.2.2 Diafragma
4.2.3 Gevoeligheid
4.2.4 Nummer van de weergegeven opname
4.2.5 Totaal aantal opnamen op gekozen geheugenkaart
4.2.6 Gekozen geheugenkaart
4.2.7 Pictogram voor
a.
Optie Bladeren
b.
Optie Vergroten
(altijd maar een pictogram; niet zichtbaar als 4.2.10 wordt
weergegeven)
4.2.8 Afmetingen en positie van de uitsnede
(vervangt 4.2.1-4.2.6, maar niet als 4.2.10 wordt weergegeven)
4.2.9 Pictogram voor wisbeveiligde opnamen
(verschijnt alleen samen met 4.2.10, ofwel tijdens wissen
of beveiligen)
4.2.10/.11/.12 Functie van de knoppen (1.22/.24/.25)
(verschijnt alleen nadat een van de knoppen
1.21/.22/.24/.25 is ingedrukt; verdwijnt weer na
5s)
4.3 Weergave met histogram
(als 4.2, extra)
4.3.1 Histogram (Standaard of RGB; selecteerbaar via menubediening)
13
4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.6
4.2.7
4.2.10
4.2.9
4.2.11
4.2.12
4.2.8
4.2.5
4.3.1
4.3.1
14
DE INDICATIES
4. Op het LCD-scherm (vervolg)
4.4 Weergave met clipping-indicaties
(als 4.2, beeldgebieden zonder tekening knipperen rood en/
of blauw, extra)
4.4.1 Clipping-pictogram
4.5 Weergave met extra informatie
(Beeld verkleind, extra bij 4.2)
4.5.1 Profielnummer/-naam gebruiker
4.5.2 Kleurruimte
4.5.3 Datum
4.5.4 Tijd
4.5.5 Mapnummer/bestandsnaam
4.5.6 Belichtings-meetmethode
4.5.7 Pictogram voor belichtingsreeks
4.5.8 Beeld
4.5.9 Belichtingsprogramma
4.5.10 Belichtingscorrectie
4.5.11 Scherpte-instelmodus
4.5.12 Brandpuntafstand
4.5.13 Witbalans
4.5.14 DNG-compressie
4.5.15 JPEG-compressie/-resolutie
4.5.16 Pictogram voor wisbeveiligde opname (verschijnt alleen als
opnamen geselecteerd)
4.5.17 Pictogram voor HDMI-diashow (verschijnt alleen als opnamen
geselecteerd)
4.5.18 GPS
4.4.1
4.5.9
4.5.10
4.5.11
4.5.12
4.5.13
4.5.14
4.5.15
4.5.16
4.5.17
4.5.18
4.5.1
4.5.2
4.5.8
4.5.3
4.5.5
4.5.6
4.5.7
4.5.4
15
4.6 HDMI-beeldselectie / beveiligen / wissen
4.6.1-.4 Functies van de knoppen 1.21/.22/.24/.25
4.6.5 Selectie van de geselecteerde functie
4.6.6 Selectie van de te selecteren afbeelding(en)
4.6.7 Pictogram voor geselecteerde / beveiligde afbeelding
4.7 Menubediening
4.7.1-.4 Opties van de knoppen 1.21/.22/.24/.25
(opgeroepen menugedeelte is wit gekenmerkt)
4.7.5 Balk voor weergave van het opgeroepen menugedeelte
(wit omrand) en de getoonde menupagina (wit veld)
4.7.6 Menu-opties (de momenteel opgeroepen menu-optie is wit
gekenmerkt en samen met 4.7.7 rood onderstreept)
4.7.7 Momentele instellingen voor menu-opties (de momentele
instelling van de opgeroepen menu-optie is wit gekenmerkt en
samen met 4.7.6 rood onderstreept)
4.6.2
4.6.1
4.6.4
4.6.3
4.6.7
4.6.5
4.6.6
4.7.2
4.7.7
4.7.1
4.7.6
4.7.5
4.7.4
4.7.3
16
DE MENUPUNTEN
Sectie CAMERA
5.1 Drive Mode Enkele/serie-opnamen, zelfontspanner zie p. 36/46
5.2
Focus Mode AFs / AFc / MF door lang te drukken (1s) op de knop 1.22
kunt u dit punt direct oproepen, zie p. 29 zie p. 37
5.3
Exposure Metering Meetmethoden door lang te drukken (1s) op de knop 1.25
kunt u dit punt direct oproepen, zie p. 29 zie p. 38
5.4
Exp. Compensation door lang te drukken (1s) op de knop 1.23
kunt u dit punt direct oproepen, zie p. 29 zie p. 39
5.5
Exp. Bracketing Automatische belichtingsreeks zie p. 40
5.6 Auto Slow Sync. Begrenzing van de toegepaste sluitertijden zie p. 34
5.7
Flash Sync. Mode Aan het begin of het einde van de belichting zie p. 53
5.8
Mirror Up Mode zie p. 47
Sectie
IMAGE
5.9 ISO Gevoeligheid door lang te drukken (1s) op de knop 1.26
kunt u dit punt direct oproepen, zie p. 29 zie p. 34
5.10
File Format Bestandsformaat / Compressiegraad zie p. 32
5 .11
DNG Compression zie p. 32
5.12
JPEG Resolution zie p. 32
5.13
White Balance zie p. 33
5.14
Color Management Werkkleurruimte (alleen met JPEG-formaten) zie p. 35
5.15 Contrast Beeldcontrast (alleen met JPEG-formaten) zie p. 35
5.16
Sharpness Beeldscherpte (alleen met JPEG-formaten) zie p. 35
5 .17
Saturation Beeldverzadiging (alleen met JPEG-formaten) zie p. 35
17
Sectie SETUP
5.18 Data Storage Selectie van gegevensverdeling op de geheugenkaarten, ofwel een extern opslagmedium zie p. 35
5.19
Image Numbering zie p. 49
5.20
Format Formatteren van geheugenkaarten zie p. 50
5.21
USB Mode Herkenning van de camera als ext. station of volgens PTP-protocol zie p. 62
5.22
HDMI Instellingen voor diashow-weergave zie p. 64
5.23
Sensor Cleaning Open sluiter voor reiniging van sensor zie p. 70
5.24
Auto Review Automatische weergave van de laatste opname zie p. 56
5.25
Histogram Grafiek als weergave van helderheidsverdeling zie p. 57
5.26
Clipping Definition zie p. 57
5.27
Monitor / Display Instellingen LCD-scherm en display aan de bovenzijde zie p. 31
5.28
Auto Power Off zie p. 30
5.29
Acoustic Signal AF-bevestiging / waarschuwingen zie p. 31
5.30
Horizon Kantel- en hellingsindicatie zie p. 48
5.31 Custom Functions Functietoewijzingen aan de knoppen 1.4, 1.22, 1.23, 1.25, en 1.26 zie p. 29
5.32
AE- / AF-Lock Toewijzing van opslagfuncties aan de ontspanner en/of de 5-richtingsknop zie p. 38/39
5.33
Key Lock Activatie/deactivatie van instel- en sluitertijdenwiel zie p. 43
5.34
Click Wheel Exp. Mode Wijzigen van de reactietijd van het instelwiel bij de belichtingsinstelling zie p. 43
5.35 User Profile Gebruikersprofiel zie p. 48
5.36
Reset Resetten van alle instellingen (op de beginwaarden) zie p. 49
5.37
GPS Registratie van positiegegevens zie p. 51
5.38
Date zie p. 30
5.39
Time zie p. 30
5.40
Language Taal zie p. 30
5.41
Firmware Weergave van de firmware-versie van body en gekoppeld objectief zie p. 64
Opmerking:
De grijze menuopties staan voor ind. knoppenbezetting ter beschikking (zie p. 29).
18
1 2
3 4
VOORBEREIDINGEN
AANBRENGEN VAN DE DRAAGRIEM
OPLADEN VAN DE BATTERIJ
De Leica S wordt door een lithium-ionen batterij (A) van de benodigde
energie voorzien.
Opgelet:
Er mag/mogen uitsluitend het in deze handleiding genoemde en
beschreven type batterij, resp. de door Leica Camera AG genoemde en
beschreven types batterijen in de camera worden gebruikt.
Deze batterijen mogen uitsluitend met de hiervoor bestemde appara-
ten en alleen exact zoals hierna beschreven worden opgeladen.
Als deze batterijen niet volgens de voorschriften worden gebruikt, of
als u batterijen gebruikt die hier niet voor zijn bestemd, kan dit onder
bepaalde omstandigheden een explosie veroorzaken!
Deze batterijen mogen niet voor langere tijd aan hitte of zonlicht en
vooral ook niet aan vochtigheid of water worden blootgesteld. Boven-
dien mogen deze batterijen nooit in een magnetron of in een omgeving
met hoge druk worden geplaatst wegens gevaar voor brand of explosie!
Vochtige of natte batterijen mogen nooit worden geladen of in de
camera gestopt!
Houd de batterijcontacten steeds schoon en vrij toegankelijk. Lithium-
ionen batterijen zijn weliswaar tegen kortsluiting beveiligd, maar toch
mag u de contacten niet in aanraking laten komen met metalen voor-
werpen, zoals paperclips of sieraden. Een kortgesloten batterij kan zeer
heet worden en ernstige brandwonden veroorzaken.
Als er een batterij is gevallen, controleert u dan daarna altijd de behui-
zing en contacten op eventuele schade. Het plaatsen van een bescha-
digde batterij kan ook de camera beschadigen.
Als er geuren, verkleuringen, vervormingen, oververhitting of lekkages
van vloeistof optreden, moet onmiddellijk de batterij uit de camera
of acculader worden verwijderd en moet deze worden vervangen. Bij
voortgezet gebruik van de batterij is er anders risico voor oververhit-
ting, brand en/of explosie!
Bij brandlucht of lekkende vloeistoffen dient u de batterij uit de buurt
van warmtebronnen te houden. De lekkende vloeistof kan gaan bran-
den!
Een veiligheidsventiel in de batterij zorgt ervoor dat bij onjuiste omgang
eventuele overdruk gecontroleerd kan ontwijken.
Er mag/mogen uitsluitend het in deze handleiding genoemde en
beschreven type batterijlader, resp. de door Leica Camera AG genoem-
de en beschreven andere typen laders worden gebruikt. Het gebruik
van andere, niet door Leica Camera AG toegestane batterijladers kan
tot schade aan de batterijen leiden en in een extreem geval ook tot ern-
stige, levensgevaarlijke verwondingen.
Het meegeleverde oplaadapparaat mag uitsluitend voor het opladen
van deze batterij worden gebruikt. Probeer het niet voor andere doel-
einden te gebruiken.
Zorg ervoor dat het gebruikte stopcontact vrij toegankelijk is.
De meegeleverde auto-laderkabel mag in geen geval worden aangeslo-
ten als de batterijlader met het net is verbonden.
Batterij en lader mogen niet worden geopend. Reparaties mogen alleen
door erkende werkplaatsen worden uitgevoerd.
Let op dat batterijen niet in kinderhanden terecht kunnen komen. Inge-
slikte batterijen kunnen verstikken veroorzaken.
19
Eerste hulp:
Batterijvloeistof dat met de ogen in contact komt kan verblinding ver-
oorzaken!
Spoel onmiddellijk met schoon water. Wrijf niet in de ogen!
Haal er meteen een arts/ambulance bij.
Vloeistof op huid of kleding kan letsel veroorzaken. Reinig de plekken
met schoon water. Zoek een arts op.
Opmerkingen:
De batterij moet een temperatuur tussen 0°-35°C hebben om te kun-
nen worden opgeladen (anders schakelt de lader niet in, resp. weer uit).
Lithium-ionenbatterijen kunnen altijd en onafhankelijk van hun bat-
terijconditie meteen weer worden opgeladen. Als een batterij bij het
begin van het laden slechts gedeeltelijk is ontladen, wordt de volledige
oplading sneller bereikt.
Een nieuwe batterij bereikt zijn volledige capaciteit pas na 2-3 maal
volledig opladen en ontladen door gebruik in de camera. Dit ontladings-
proces moet telkens na ca. 25 cycli worden herhaald.
Tijdens het laden wordt de batterij warm, evenals de lader. Dit is nor-
maal en geen storing.
Indien beide LEDs (1.46/1.47) snel gaan knipperen (>2Hz) net nadat
het laden is begonnen, duidt dit op een laadfout (bijv. wegens over-
schrijden van de maximale laadtijd, spanningen of temperaturen buiten
het toegestane gebied of kortsluiting). Haal in zo’n geval het oplaad-
apparaat van de netvoeding en verwijder de batterij. Zorg ervoor dat
aan de hiervoor genoemde temperatuurvoorwaarden wordt voldaan
en start het oplaadproces opnieuw. Als het probleem niet kan worden
opgelost, neem dan contact op met uw dealer, de nationale vertegen-
woordiging van Leica of Leica Camera AG.
Lithium-ionenbatterijen moeten in gedeeltelijk opgeladen toestand
worden bewaard, d.w.z. niet volledig ontladen of volledig opgeladen (zie
p. 20). Bij zeer langdurige opslag moet de batterij ongeveer tweemaal
per jaar gedurende ca. 15 minuten worden opgeladen om diepe ontla-
ding te vermijden.
De oplaadbare lithium-ionen batterijen genereren stroom door interne
chemische reacties. Deze reacties worden ook door de buitentempera-
tuur en luchtvochtigheid beïnvloed. Voor een maximale standtijd en
levensduur van de batterij mag hij niet permanent aan extreem hoge of
lage temperaturen (bijv. 's zomers resp. 's winters in een geparkeerde
auto) worden blootgesteld.
De levensduur van elke batterij is begrensd zelfs onder optimale
arbeidsomstandigheden! Na enkele honderden keren opladen wordt
dit duidelijk door de korter wordende ontladingstijden.
Geef de defecte batterijen volgens de betreffende voorschriften (zie p.
6/67) af bij een verzamelpunt voor juiste recycling.
De verwisselbare batterij voedt een vast in de camera ingebouwde buf-
ferbatterij die de opslag van de datum en de tijd gedurende maximaal
3 maanden verzekert. Als de bufferbatterij uitgeput is, moet deze door
het plaatsen van een geladen batterij weer worden opgeladen. De
volledige capaciteit van de bufferbatterij is met geplaatste verwis-
selbare batterij - na ca. 60 uur weer bereikt. De camera hoeft hiervoor
niet ingeschakeld te blijven. In dat geval moet u echter wel de tijd en de
datum opnieuw instellen.
Verwijder de batterij als u de camera langere tijd niet gebruikt. Scha-
kel hiervoor van tevoren de camera uit met de hoofdschakelaar (zie
p. 25). Anders kan de batterij na enkele weken diep ontladen, d.w.z.
de spanning daalt sterk, omdat de camera, zelfs wanneer deze is uit-
geschakeld, een geringe ruststroom verbruikt (voor de opslag van uw
instellingen).
20
Voorbereiding van de batterijlader
Voor gebruik buiten de VS
1. Verbind de geschikte stekker voor het aanwezige lichtnet met de bat-
terijlader (B). Hiervoor moet u gelijktijdig
a. de ontgrendelingsknop (1.49a) naar boven trekken en
b. de stekker (1.49) naar boven trekken, uit zijn opgeborgen stand.
2. Vervolgens kan hij volledig naar boven worden losgetrokken.
3. De passende stekker moet u van boven in de lader schuiven to hij
vastklikt.
Voor gebruik in de VS
1. Trek de netstekker (C) die af fabriek aan de lader (B) zit los. Hiervoor
moet u gelijktijdig
a. de ontgrendelingsknop (1.49a) naar boven trekken en
b. de stekker (1.49) naar boven trekken, uit zijn opgeborgen stand.
2. Vervolgens kunt u de beide ingeklapte pinnen van de VS-stekker
(1.49b) uitklappen.
Opmerking:
De lader schakelt automatisch over op de aanwezige netspanning. De
lader kan met de meegeleverde auto-aansluitkabel in alle voertuigen met
12V of 24V accu worden gebruikt. Ook in dat geval zal hij automatisch
omschakelen.
BATTERIJLADER AANSLUITEN
1. Sluit de batterijlader (B) aan, d.w.z. de kabelstekker (1.45a) in de aan-
sluiting van de batterij (1.44) en de netstekker (1.49/1.49b) in een
contactdoos.
Om het laden te bevestigen begint dan de groene, met
CHARGE belet-
terde LED (1.47) te knipperen.
Als de batterij tot minstens
4
/
5
van zijn capaciteit is geladen, zal ook de
oranje, met
80% beletterde LED (1.46) gaan branden. Wanneer de bat-
terij volledig is opgeladen, d.w.z. 100% capaciteit heeft bereikt (na ca.
3
1
/
2
uur) gaat de groene CHARGE-LED continu branden.
Opmerkingen:
De
80%-LED zal vanwege het werkingsprincipe van het laadproces al na
ca. 2 uur gaan banden. Als dus de volledige capaciteit niet beslist nodig
is, kan de camera dus altijd binnen relatief korte tijd weer paraat zijn.
Als de groene
CHARGE-LED continu brandt, wil dit zeggen dat de lader
op automatisch op druppelladen is omgeschakeld.
2. Vervolgens dient u de lader van het net nemen. Er is echter geen
gevaar voor overlading.
21
BATTERIJ PLAATSEN EN VERWIJDEREN
Plaatsen
1. Zet de hoofdschakelaar (1.15) op
OFF.
2. Plaats de batterij (C) met zijn contacten naar voren en met de gelei-
dingsgroef (1.43) in de richting van het midden van de camera tot aan
de aanslag in het batterijvak. Hij klikt vanzelf in deze stand vast.
Verwijderen
1. Zet de hoofdschakelaar (1.15) op
OFF.
2. Draai de ontgrendelingshendel (1.38) met de wijzers van de klok tot
aan de aanslag. Een veer in het batterijvak zal de batterij ca. 1cm naar
voren duwen.
Opmerking:
De vergrendeling is beveiligd, zodat de batterij, ook als u de camera
rechtop houdt, niet per ongeluk uit zijn vak kan vallen.
3. Druk de batterij ca. 1mm terug om de vergrendeling los te maken en
4. trek hem dan uit het batterijvak, ofwel, als u de camera rechtop houdt,
laat u hem uit het vak vallen.
Indicaties batterijconditie (3.2)
De laadtoestand van de batterij wordt weergegeven op het display aan
de bovenzijde (1.12) en - bij de opnamedata-indicaties (4.1) - op het
LCD-scherm (1.23).
= ca. 100%, brandt wit
= ca. 90%, brandt wit
= ca. 75%, brandt wit
= ca. 50%, brandt wit
= ca. 25%, brandt wit
= ca. 10%, brandt wit
= ca. 5%, brandt rood
= ca. 3%, knippert rood; vervangen of opnieuw
opladen van de batterij noodzakelijk
PLAATSEN EN VERWIJDEREN VAN DE
GEHEUGENKAARTEN
Die Leica S biedt u de mogelijkheid 2 typen kaarten gelijktijdig te gebrui-
ken; zij heeft hiervoor een kaartsleuf voor SD-/SDHC-/SDXC-kaarten
(Secure Digital) en een voor CF-kaarten (Compact Flash t/m UDMA 7).
SD-/SDHC-/SDXC-kaarten hebben een schakelaar voor schrijfbeveili-
ging, waarmee de bestanden tegen onopzettelijk opslaan en/of wissen
kunnen worden beschermd. Deze schakelaar is als schuif op de niet-
afgeschuinde kant van de kaart uitgevoerd en beveiligt gegevens op de
kaart in zijn onderste stand die met LOCK is gemarkeerd.
Opmerking:
Raak de contacten van de geheugenkaarten niet aan.
Plaatsen
1. Zet de hoofdschakelaar (1.15) op
OFF.
2. Open de klep (1.19) aan de rechterzijde van de camera door deze naar
achteren te schuiven om hem te ontgrendelen en dan naar rechts
open te klappen.
3. Plaats de gewenste geheugenkaarten als volgt:
a. CF-kaarten met hun contacten naar de camera toe en met de voor-
kant in richting voorkant camera in de sleuf (1.29). Doorduwen tot
aan de aanslag in de kaartsleuf.
Opmerking:
Let er bij het plaatsen van de kaart op dat de uitwerpknop (1.29a) volle-
dig naar binnen is geschoven (zie „Verwijderen“ op de volgende pagina).
22
Belangrijk:
Niet met geweld! Anders kunt u de contacten in de kaartsleuf
beschadigen!
b. Plaats de SD-/SDHC-/SDXC.kaart met de contacten naar achte-
ren en met de afgeschuinde hoek naar boven wijzend in de sleuf
(1.30). Schuif deze tegen de veerweerstand in helemaal naar bin-
nen tot deze hoorbaar inklikt.
c. Let erop geen SD-kaart in de CF-kaartsleuf te duwen, anders
krijgt u hem er evt. niet meer uit!
4. Sluit de klep weer door hem dicht te klappen en naar voren te schuiven
tot hij inklikt.
Verwijderen
1. Zet de hoofdschakelaar (1.15) op
OFF.
2. Open de klep (1.19) aan de rechterzijde van de camera door deze naar
achteren te schuiven om hem te ontgrendelen en dan naar rechts
open te klappen.
CF-kaarten
3. Druk de uitwerpknop (1.29a) naar binnen; hierdoor wordt de kaart een
stukje uit de sleuf geschoven, zodat hij
4. volledig kan worden verwijderd.
SD-/SDHC-/SDXC-kaarten
3. Duw de kaart weer in de sleuf, waardoor hij wordt ontgrendeld en uit
de sleuf wordt geduwd, zodat hij
4. volledig kan worden verwijderd.
5. Sluit de klep weer door hem dicht te klappen en naar voren te schuiven
tot hij inklikt.
Indicaties
Geheugenkaartenfouten worden in de zoeker, op het scherm en op het
display aan de bovenzijde weergegeven.
Opmerkingen:
Als de geheugenkaart niet in de sleuf past, controleer dan op hij goed
om zit.
Het aanbod aan SD-kaarten verandert voortdurend; sommige kaarten
kunnen onder bepaalde omstandigheden storingen aan de Leica S ver-
oorzaken.
Verwijder geen geheugenkaart of batterij zolang de rode LED (1.20)
rechtsonder naast de monitor (1.23) knippert als indicatie van opname-
registratie en/of gegevensopslag op de kaart. Anders kunnen nog niet
(volledig) opgeslagen opnamegegevens verloren gaan.
De Leica S biedt verscheidene mogelijkheden voor het opslaan van
beeldgegevens. Meer hierover vindt u onder „Opslag van beeldgege-
vens / geheugenkaartenbeheer“ op p. 35.
Omdat elektromagnetische velden, elektrostatische lading evenals
defecten aan de camera en kaart(en) tot beschadiging of verlies van
gegevens op de geheugenkaart(en) kunnen leiden, is het raadzaam de
gegevens op een computer op te slaan (zie p. 62).
Om dezelfde reden wordt geadviseerd de kaart altijd in een antistatisch
foedraal te bewaren.
Het probleemloos functioneren van de camera kan niet worden gega-
randeerd met WiFi-kaarten.
23
INSTELGLAS VERWISSELEN
U kunt het instelglas van de Leica S verwisselen (zie ook Systeemacces-
soires / Verwisselbare instelglazen“, p. 65). De camera wordt standaard
geleverd met een volledig mat glas.
De andere instelglazen worden afzonderlijk in een houder met een wis-
selpincet en stofpenseel geleverd.
Om de glazen te verwisselen dient u
1. het objectief te verwijderen (zie p. 24) en
B
A
2. het kader van het glas A uit de vastgeklikte positie los te maken door
met de punt van het pincet op lipje B te duwen. Het kadertje klapt dan
samen met het instelglas naar beneden.
C
3. Vervolgens dient u het instelglas C met het pincet aan de kleine brug
te pakken, iets naar boven te kantelen en uit het kader te nemen.
4. Plaats het glas voorlopig in het vakje aan de zijkant van de doos.
5. Pak nu het glas dat u wilt vervangen met het pincet aan de brug op,
6. leg het in het kader en
7. duw het kader met de punt van het pincet naar boven totdat het vast-
klikt.
Belangrijk:
Volg de instructies voor het verwisselen van het instelglas nauwlettend
op. Let er vooral op de gevoelige oppervlakken van de instelglazen tegen
krassen te beschermen.
24
LEICA S-OBJECTIEVEN
Leica S-objectieven hebben enkele bijzondere uiterlijke eigenschappen:
- De afstands-instelring (1.8) functioneert verschillend, afhankelijk van
welk programma is ingesteld:
- Bij handmatige instelling (
MF, zie p. 16/26/37) stelt u de afstand in
door aan de ring te draaien, zoals u gewend bent - hij is in dit geval van
meet af aan mechanisch aan de optische constructie gekoppeld.
- In de autofocus-programma's (
AFs/AFc, zie p. 16/26/37) is deze eerst
ontkoppeld, zodat de motorische instelling niet wordt beïnvloedt als u
het objectief aan de ring vasthoud. U kunt de automatische instelling
echter te allen tijde opheffen, d.w.z. ook al staat de camera op autofo-
cus, u kunt de afstand ook altijd handmatig instellen. Door aan de ring te
draaien, wordt hij meteen aan het optische mechanisme gekoppeld.
- De afstandsschaal binnenin kunt u door een venster (1.7) afl ezen.
- Er is geen diafragmaring. U kunt het diafragma met het instelwiel (1.18,
zie p. 42) op de camera instellen.
Opmerking:
Sommige Leica S-objectieven zijn verkrijgbaar met een ingebouwde
centraalsluiter.
PLAATSEN EN VERWIJDEREN VAN HET OBJECTIEF
Alle objectieven en accessoires met Leica S-bajonet passen op de Leica S.
Leica S-objectieven worden als volgt aangekoppeld:
1. Rode punt op de objectief-fi tting tegenover de knop van de bajonet-
ontgrendeling (1.5c) op de camerabehuizing plaatsen.
2. Het objectief in deze stand recht plaatsen.
3. Met een draai naar rechts tot aan de aanslag klikt het objectief hoor-
en voelbaar vast.
Om het objectief los te koppelen dient u
1. de ontgrendelingsknop in te drukken,
2. het objectief met een draai naar links te ontgrendelen en
3. recht naar voren te ontkoppelen.
Opmerkingen:
Om het binnendringen van stof in de camera te voorkomen dient er altijd
een objectief of een cameradeksel op de camera te zitten, vooral ook om
de sensor zo stofvrij als mogelijk te houden.
Om dezelfde reden moet het verwisselen van een objectief vlot en zo
mogelijk in een stofvrije omgeving gebeuren.
Leica biedt ook voor objectieven in onregelmatige intervallen rmware-
updates aan. U kunt zelf eenvoudig nieuwe rmware van onze homepage
downloaden en naar uw objectief overdragen. Zie voor verdere informatie
hierover p. 64.
25
INSTELLEN VAN HET OCULAIR
Het oculair (1.17) kan van ca. -3 t/m +1 dioptrieën worden versteld, zodat u
het precies op uw eigen oog af kunt stemmen. Draai hiervoor zo lang aan de
gekartelde rand (1.13) en kijk ondertussen door de zoeker tot u de begren-
zing van het selectieve meetveld scherp ziet.
Opmerking:
Als u niet door de zoeker kijkt, bijv. bij opnamen met een statief, is het
raadzaam het oculairkapje (G) op het oculair te zetten. Dit voorkomt dat de
belichtingsmeting verkeerd wordt beïnvloed. U kunt het oculairkapje aan
de draagriem laten hangen.
IN- EN UITSCHAKELEN VAN DE CAMERA
De Leica S wordt in- en uitgeschakeld met de hoofdschakelaar (1.15) die
in drie standen vastklikt:
a. OFF – Camera uitgeschakeld
b.
FPS Camera ingeschakeld, spleetsluiter in
camera geactiveerd
- De spleetsluiter in de camera regelt de sluitertijd. Alle sluitertijden zijn
beschikbaar (zie ook „Het sluitertijdenwiel“, zie p. 42).
b.
CS Camera ingeschakeld, centraalsluiter in
objectief geactiveerd
- De centraalsluiter in het objectief regelt de sluitertijd. Sluitertijden van
8-
1
/
1000
s zijn beschikbaar (zie hierover ook „Het sluitertijdenwiel“, zie
p. 42).
Opmerking:
De camera werkt ook bij instelling op
CS met de spleetsluiter wanneer
- er een objectief zonder centraalsluiter is aangekoppeld, ofwel als u lan-
gere sluitertijden dan 8s en/of
- u kortere sluitertijden dan 1/1000s instelt.
Na het inschakelen, d.w.z. na het instellen van een van de beide opties
FPS of CS licht de LED (1.20) op totdat de functie paraat is (2s) en de
indicaties in de zoeker (1.16/2) en de LCD aan de bovenzijde (1.12)
zijn verschenen (zie p. 10/11).
Opmerkingen:
Ook als de hoofdschakelaar niet op
OFF is gezet, wordt de camera
automatisch uitgeschakeld wanneer er in het menu een automatische
uitschakeltijd is ingesteld (
Auto Power Off (5.28), zie p. 26/30) en de
camera binnen deze tijd niet wordt bediend.
Door de camera uit te schakelen worden actieve opties, d.w.z. belich-
tingsreeksen (zie p. 40) en de zelfontspanner (zie p. 46), niet alleen
geannuleerd, maar ook in hun betreffende menu's uitgeschakeld.
26
HET MENU
De meeste programma's en instellingen van de Leica S worden ingesteld
via de menubediening. De navigatie en de instellingen zijn in het gehele
menu uitgesproken snel en eenvoudig, omdat
- de menupunten in direct bereikbare functiegroepen zijn ingedeeld en
- bovendien naar keuze vijf zelf te bepalen (menu)opties direct kunnen
worden aangeroepen.
Menu oproepen
Om de menubediening op te roepen en om direct naar de pagina's te
gaan beschikt u over 3 (1.22, 1.24, 1.25) van de 4 knoppen die zich aan
de linker- en rechterkant van het scherm (1.23) zijn geplaatst.
Opmerking:
De 4 knoppen (1.21, 1.22, 1.24, 1.25) zijn zogenaamde „soft keys“.
Behalve menubediening hebben deze knoppen ook andere functies, bijv.
tijdens de weergave van opnamen op het LCD-scherm, die dan afhanke-
lijk van de situatie op het scherm verschijnen.
Instellingen in het menu
Alle instellingen van de menupunten kunt u naar keuze met het instelwiel
(1.18) of de 5-richtingsknop (1.17) uitvoeren.
Menu verlaten
U kunt het menu op verscheidene manieren verlaten:
- om naar de opnamemodus te gaan:
door de ontspanner aan te tippen (1.1)
- om naar de weergave van opnamegegevens (4.1, zie ook p. 12) te gaan:
door kort op de knop te drukken (1.21) die in deze situatie met
INFO is
beletterd
- Om naar de weergavemodus te gaan:
door opnieuw kort op de knop (1.21) te drukken tijdens de opnamege-
gevens-indicatie die in dit geval met
PLAY is beletterd
Menu-optiegroepen
De menulijst van de Leica S is in 3 optiegroepen ingedeeld (zie hiervoor
ook p. 16/17):
-
CAMERA
- IMAGE
- SETUP
De optiegroepen bestaan elk uit 2 of 4 pagina's, afhankelijk van de
omvang. Op elke pagina staan telkens in de linker rijen de menupunten
en rechts daarnaast de betreffende instellingen.
Navigeren in het menu / Opties instellen
1. De eerste pagina's van de betreffende menu-optiegroep kunt u kiezen
door twee keer kort (1s) op een van de 3 knoppen (1.22, 1.24, 1.25)
te drukken, d.w.z. met de knop (1.25) de
CAMERA-opties, met knop
(1.24) de
IMAGE-opties en met knop (1.22) de SETUP-opties.
Als het scherm daarvoor inactief (donker) was, zal bij de eerste keer
drukken de indicatie van de opnamegegevens verschijnen. De drie
knoppenvelden (4.1.1), (4.1.3) en (4.1.4) zijn omwille van de over-
zichtelijkheid reeds met de betreffende menu-optiegroepen belet-
terd.
Als u vanuit de weergavemodus komt, zullen in de tussenstap eerst
alleen de in deze situatie geldige knoppenfuncties
MENU - (4.2.12),
DELETE (4.2.11) en PROTECT - (4.2.10) verschijnen.
Als oriëntatiehulp verschijnt er op het menuscherm:
- met witte letters de betreffende geselecteerde menu-optiegroep
(4.7.1);
- met de linker scrollbalk (4.7.5) op welke van de in totaal 8 pagina's u
zich momenteel bevindt;
- met witte letters en rood onderstreept de rij met actieve menu-opties
(dit geldt voor alle menu-niveaus). Rechts in de rij staat altijd de momen-
teel ingestelde optievariant, ofwel de momenteel ingestelde waarde.
Het momenteel actieve menupunt is na het selecteren van een pagina
altijd eerst het laatst gewijzigde.
27
2. Door nog eens kort op de knoppen (1.25), (1.24) en (1.22) te drukken,
kunt u elke pagina van de betreffende menu-optiegroep direct oproe-
pen, d.w.z. van pagina naar pagina bladeren.
28
3. De menupunten selecteert u
- ofwel door aan het instelwiel te draaien (1.18); naar rechts = naar
beneden / naar links = naar boven;
- of door de 5-richtingsknop (1.17) in de gewenste richting te duwen. Alle
menupunten vormen samen een lus, d.w.z. u kunt alle punten in beide rich-
tingen bereiken zonder eerst een van de 3 menugroepen te hoeven kiezen
4. Druk op het instelwiel of duw de 5-richtingsknop naar voren of naar rechts
om de opsomming van de betreffende optievarianten op te roepen.
Er verschijnt een submenu waarin de betreffende optievarianten,
ofwel de instelbare waarden vermeld staan.
5. Draai aan het instelwiel of duw de 5-richtingsknop in de gewenste
richting (afhankelijk van of het om een lijst of een schaal gaat) om de
gewenste optievariant / de gewenste waarde te selecteren.
Opmerking:
Door kort te drukken op de knop die in dit geval is beletterd met
BACK
(1.21) kunt u altijd terugkeren naar het hoofdmenu zonder de tot dan
toe aangebrachte wijzigingen in de submenu’s over te nemen Dit geldt
behalve bij punten met horizontale instellingsrichting ook als u de
5-richtingsknop naar links duwt.
6. Duw het instelwiel, ofwel de 5-richtingsknop, naar voren om de inge-
stelde optievariant / de ingestelde waarde te bevestigen.
De menuweergave gaat terug naar een hoger niveau, ofwel schakelt
naar de volgende optievariant bij opties waarvoor verdere instellingen
nodig zijn.
29
Sneltoegang tot menuopties
Voor bijzonder snelle bediening kunt u met de knoppen (1.25), (1.24),
(1.22), (1.21) en de diafragmaknop (1.4) tot wel 5 van de menu-opties
direct oproepen die u het belangrijkst vindt, ofwel die u het meest
gebruikt.
Bepaal hiervoor eerst telkens met welke knop u welke (menu)optie wilt
kunnen oproepen.
Instellen van de optie / knop-bezetting
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26)
Custom Functions (5.31) en
2. in het bijbehorende submenu of u de optie wilt gebruiken of niet
Custom / Off.
3. Kies nu de gewenste knop.
In een korte lijst verschijnen er nu drie van de in totaal 16 (menu)
opties (zie p. 16/17) die ter beschikking staan.
4. Selecteer de optie die u in de toekomst met de in stap 3 genoemde
knop direct wilt kunnen oproepen, resp. uitvoeren, of kies
Off als u
geen snelkoppeling aan deze knop wilt toewijzen.
Wijs op dezelfde manier ook snelkoppelingen aan andere knoppen toe.
De geselecteerde menufuncties oproepen
Vervolgens kunt u altijd door langer (1s) op knoppen (1.25), (1.24),
(1.22), (1.21) en de diafragmeerknop (1.4) te drukken de daaraan
gekoppelde (menu)opties direct oproepen en daar dan verdere instel-
lingen in uitvoeren.
Opmerking:
Af fabriek zijn de knoppen met de volgende snelkoppelingen bezet:
Knop (1.22): Scherpte instellen (5.2)
Knop (1.23): Belichtingscorrectie (5.4)
Knop (1.25): Belichtingsmeting (5.3)
Knop (1.26): ISO (5.9)
Diafragmeerknop (1.4): diafragmeren
30
VOORINSTELLINGEN
CAMERA-BASISINSTELLINGEN
Menutaal
De in de fabrieksinstelling van de menusturing gebruikte taal is Engels.
De andere mogelijke menutalen zijn Duits, Frans, Spaans, Italiaans,
Japans, Russisch of traditioneel en vereenvoudigd Chinees.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) Language
(5.40) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste taal.
Op enkele uitzonderingen na (knopaanduidingen, korte begrippen)
worden alle gegevens in de taal gewijzigd.
Datum en tijd
Datum
Er zijn 3 varianten voor de volgorde van weergave beschikbaar.
Instellen
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) Date
(5.38) en
2. roep het submenu op. Het bestaat uit de twee punten
Setting en
Format.
3. Selecteer
Setting.
Er verschijnt nog een submenu
Date Setting - met drie kolommen
Year, Month and Day.
4. Door aan het instelwiel (1.18) te draaien of door de 5-richtingsknop
(1.17) naar omhoog of omlaag te duwen, stelt u de getallen, resp. de
maanden in, en als u het instelwiel indrukt of de 5-richtingsknop naar
links of rechts duwt, wisselt u tussen de drie rubrieken.
5. Als u alle drie rubrieken hebt ingesteld dient u uw invoer te bevestigen
en op te slaan door op het instelwiel of de 5-richtingsknop te drukken.
De lijst met de menupunten verschijnt weer.
6. Om de datumsindeling te wijzigen, selecteert u opnieuw
Date en
7. in het submenu nu het punt
Format.
Er verschijnen de 3 mogelijke volgordes
Day/Month/Year, Month/
Day/Year en Year/Month/Day.
8. De instelling en bevestiging vinden in principe op dezelfde wijze plaats
als onder de punten 3 en 4.
Tijd
De tijd kan naar keuze in 24-uurs of 12-uurs formaat worden aangege-
ven.
Instellen
In het menupunt
Time (5.39) stelt u zowel de beide getallengroepen
alsook de tijdsindeling in in de submenu's
Format en Setting, net zoals
beschreven in de vorige sectie onder
Datum.
Het submenu
Time Zone/Auto Time heeft weerom zijn eigen submenu met
de punten
GPS Auto Time (staat alleen ter beschikking met ingeschakelde
GPS-optie),
Time Zone (staat alleen ter beschikking met uitgeschakelde
GPS-optie) en
Daylight Saving Time.
Als u
GPS Auto Time activeert zal de op camera ingestelde tijd continu aan
de hand van de ontvangen GPS-signalen worden gecorrigeerd (zie p. 51).
Opmerking:
Zelfs als er geen batterij is geplaatst of als deze leeg is, blijft de instelling
van datum en tijd door een ingebouwde bufferbatterij gedurende circa
drie maanden behouden (zie hiervoor ook „Indicaties batterijconditie“,
pag. 21). Daarna moeten datum en tijd echter zoals hiervoor beschreven
opnieuw worden ingesteld.
Automatische uitschakeling
Deze functie schakelt de Leica S vanzelf na een vooraf ingestelde tijd uit.
Deze situatie komt overeen met de stand
OFF van de hoofdschakelaar
(1.15a, zie p. 25).
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) Auto
Power Off
(5.28) en
2. daar dan de gewenste optie, resp. tijdsduur.
Opmerking:
Ook als de camera in de paraatstand is, d.w.z. de indicaties na 12s zijn
verdwenen, of de geactiveerde optie
Auto Power Off deze heeft uitge-
schakeld, kan de camera te allen tijde door indrukken van de ontspanner
(1.1) weer in gebruik worden genomen.
31
Signaalgeluiden
Met de Leica S kunt u bepalen of meldingen en/of de actieve auto-
focus (zie p. 37) door akoestische signalen – er zijn twee volumes
– bevestigd moeten worden of dat de werking van de camera vooral
geruisloos moet zijn.
De bevesting volgt als een piepoon, die zowel steeds voor de bevesti-
ging van de ingestelde autofocus alsook als signaal van een melding
kan worden geactiveerd.
Opmerking:
In de fabrieksinstelling zijn de geluidssignalen uitgeschakeld.
Instellen van de functies
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) Acoustic
Signal
(5.29) en
2. roep het submenu op. Het bestaat uit de 3 punten
Volume, AF Confirma-
tion
en Warnings.
3. Als u
Volume selecteert
verschijnt er een submenu met de keuzemogelijkheden
High en Low.
4. Kies in dit submenu de gewenste optie.
Na de bevestiging verschijnt weer het oorspronkelijke monitorbeeld.
5. Kies in de andere submenu's of u de geluiden voor de beoogde opties
wilt activeren of niet.
Wanneer u
On kiest
Bij
AF Confirmation hoort u een pieptoon als de scherpte automatisch
of handmatig juist is ingesteld, d.w.z. op het moment dat de indicatie-
lamp gaat branden (2.7b) in de zoeker (zie p.10).
Bij
Warnings hoort u een pieptoon bij alle meldingen en waarschuwingen
die op het LCD-scherm (1.23) verschijnen, evenals wanneer de zelfont-
spanner afloopt (zie p. 46).
Als u
Off bij Warnings kiest
Ook al hebt u
Off gekozen, zal er in twee situaties toch een akoestisch
waarschuwingssignaal worden gegeven:
- wanneer de afdekklep (1.19) van de geheugenkaarten tijdens de gege-
vensoverdracht wordt geopend (zie p. 21/62)
- wanneer na een sensor-reiniging de sluiter weer gaat sluiten (zie p. 68)
LCD-scherm en display aan bovenzijde
De Leica S bezit zwei displays,
- ein kleuren-OLED (organic light emitting diode)–display (1.12) en
- een groot 3“ LCD-scherm (1.23).
Op het display aan de bovenzijde ziet u onder meer (zie „De displays /
Op display aan bovenzijde“, zie p. 11) de belangrijkste informatie over de
status van de geheugenkaarten en de batterijen, evenals over de belich-
tingsregeling.
Het LCD-scherm dient vooral voor het bekijken van de opnamen op de
geheugenkaart(en) en toont het gehele beeldveld evenals de gekozen
gegevens en informatie (zie „De displays / Op het LCD-scherm“, pag.
12). Bovendien hebt u de mogelijkheid de volgende informatie te laten
weergeven
- in de Weergavemodus, over het beeld heen
- een histogram (4.3), (zie p. 13/57)
- de markering van te heldere of donkere gebieden zonder tekening (zie
„Clipping“.
- bijkomende opnamegegevens (4.4), (zie p. 14/57)
- In de Opnamemodus, een omvattende opsomming van de belangrijkste
opname-parameters (zie „De displays / Op het LCD-scherm/(4.1)
Weergave opnamegegevens“, p. 12).
De beide displays kunt u aan de betreffende situatie, d.w.z. de bestaan-
de lichtomstandigheden, aanpassen: De helderheid van het display aan
de bovenzijde en van het LCD-scherm bovendien ook de achtergrond-
verlichting. De helderheid van het LCD-scherm kan automatisch aan
de helderheid van de omgeving worden aangepast. Hiervoor dient de
sensor (1.28).
Instellen van de functies
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) Monitor /
Display
(5.27) en
2. in het eerste submenu of u het LCD-scherm wilt instellen -
Back Plane ,
of het display aan de
Top Cover.
Als u het LCD-scherm wilt instellen:
3. kiest u in het tweede submenu of u
Brightness of Backlight wilt
instellen en
4. in de betreffende submenu's tot slot het gewenste niveau. Voor beide
displays zijn er vijf niveaus mogelijk en voor
Backlight bovendien een
automatische instelling.
Als u het display aan de bovenzijde wilt instellen:
5. kiest u in het tweede submenu of u
brightness (helderheid) of
Stand-by-tijd wilt instellen
6. in de betreffende submenu's tot slot het gewenste niveau, resp. de
tijdsduur. Voor beide instellingen zijn er drie niveaus.
32
OPNAME-BASISINSTELLINGEN
Bestandsformaat
Om de beeldgegevens op te slaan kunt u uit de twee bestandsformaten
DNG en JPEG kiezen. U kunt kiezen of uw beeldgegevens
a. in slechts één van deze formaten moeten worden opgeslagen, of
b. gelijktijdig in beide (d.w.z. dat er per opname altijd twee bestanden
ontstaan).
Instellen van de optie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26)
File Format (5.10) en
2. in het bijbehorende submenu het gewenste bestandsformaat, resp. de
combinatie.
Opmerkingen:
Voor de opslag van onbewerkte (raw) opnamegegevens wordt het
gestandaardiseerde formaat DNG (Digital Negative) gebruikt.
Het op het LCD-scherm getoonde, resterende aantal opnamen veran-
dert eventueel na elke opname. Dit hangt van het motief af; zeer fijne
structuren resulteren bij JPEG-bestanden in een grotere hoeveelheid
gegevens, homogene vlakken in een kleinere hoeveelheid. De gege-
vens in de tabel zijn gebaseerd op een gemiddelde bestandsgrootte
bij de ingestelde resolutie. Afhankelijk van beeldinhoud en compres-
siepercentage zijn de bestandsgrootten echter vaak kleiner, zodat de
resterende geheugencapaciteit daarna groter is dan vooraf berekend
en weergegeven.
Compressiegraad
U kunt voor beide bestandsformaten onafhankelijk van elkaar ver-
schillende compressiegraden selecteren. Voor het
DNG-formaat is er een
volledig lossless comprimering van beeldgegevens of een ongecompri-
meerde registratie beschikbaar en voor het
JPEG-formaat JPEG fine of
JPEG basic.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26) DNG Com-
pression
(5.11), resp. File Format (5.10) en
2. in de betreffende submenu's
Off of On, resp. de gewenste compres-
siegraad.
Opmerking:
Door een hoge compressiegraad, zoals bij
JPG basic kunnen fijne struc-
turen in het motief verloren gaan, resp. onzuiver worden weergegeven
(artefacten; bijv. „blokjesvorming“ op schuine randen).
JPEG-resolutie
Terwijl in het
DNG-formaat in principe altijd de volledige resolutie van
37,5MP wordt gebruikt, kunt u met de JPEG-formaten ook van twee lagere
resoluties gebruik maken.
Instellen van de optie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
Image (zie p. 16/26) JPEG
Resolution
(5.12) en
2. in het bijbehorende submenu
37,5MP, 9,3MP of 2,3MP.
33
Witbalans
-
Auto voor de automatische regeling, die in de meeste situaties neu-
trale resultaten oplevert,
- acht vaste voorinstellingen voor de meest voorkomende lichtbronnen,
-
bijv. voor buitenopnamen in de zon,
-
bijv. voor buitenopnamen bij bewolkte hemel,
-
bijv. voor buitenopnamen met het hoofdmotief in de schaduw,
-
bijv. voor binnenopnamen met (voornamelijk) licht van gloeilampen
-
bijv. voor binnenopnamen met (voornamelijk) licht van
HMI-lampen
-
bijv. voor binnenopnamen met (voornamelijk) licht van
tl-buizen met warme tint
-
bijv. voor binnenopnamen met (voornamelijk) licht van
tl-buizen met koele tint
-
bijv voor opnames met (voornamelijk) elektronenflits-belichting
-
Greycard voor de handmatige instelling door meting en
-
Color temperature
1
voor een direct instelbare kleurtemperatuur-
waarde.
Opmerking:
Bij het gebruik van de Leica SF58, ofwel elektronenflitsers die over de
technische mogelijkheden van een System-Camera-Adaption (SCA)
van het systeem 3002- en over de adapter SCA-3502 (vanaf versie 5)
beschikken, kan de witbalans voor een juiste kleurweergave op
Auto - (A)
worden gezet.
Als u echter andere, niet speciaal op Leica S afgestemde flitsers
gebruikt, dient u de instelling
te gebruiken.
1
Kleurtemperaturen worden in principe in Kelvin aangegeven.
Instellen van de functie
Automatische en vaste instellingen
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26),
White Balance (5.13), en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste functie.
Direct instellen van de kleurtemperatuur
U kunt waarden tussen 2000 en 13100 (K
1
) direct instellen (van 2000 tot
5000K in stappen van 100, van 5000 tot 8000K in stappen van 200 en
van 8000 tot 13.100K in stappen van 300). Daarmee is een zeer groot
gebied beschikbaar dat de meeste in de praktijk voorkomende kleur-
temperaturen dekt en waarbinnen u de kleurweergave op de aanwezige
lichtkleur en/of uw persoonlijke voorkeur kunt afstemmen.
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
Image (zie p. 16/26),
White Balance (5.13), en
2. in het bijbehorende submenu de variant
Color temperature en
Er verschijnt nog een submenu -
White Balance Kelvin-Setting - met
de in te stellen waarde die met een rode omlijsting is gekenmerkt.
3. daar de gewenste waarde.
Handmatig instellen door meting
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26), White
Balance
(5.13), en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste variant
Greycard.
3. Duw het instelwiel (1.18) of de 5-richtingsknop (1.17) naar voren of
naar rechts
Op het LCD-scherm verschijnt de melding
Please take a picture for
setting the white balance
.
4. Maak de opname en let daarbij op dat er een wit of neutraal grijs (refe-
rentie-) vlak in beeld is.
Op het LCD-scherm verschijnt
- het beeld op basis van de automatische witbalans-instelling
- in het beeldmidden een dradenkruis
- de in deze situatie geldende knoppenfuncties
PREVIEW (4.1.11) en
BACK (4.1.12)
5. Door de 5-richtingsknop (1.17) in de gewenste richting te duwen, kunt
u het dradenkruis op het detail van het motief richten dat de basis voor
de nieuwe witbalans-instelling moet vormen (bijv. op het genoemde
referentievlak).
6. Druk de knop
PREVIEW of de 5-richtingsknop naar voren.
De kleurweergave van het beeld wordt overeenkomstig aangepast
en het verschijnt bijkomend de in deze situatie geldende knopfunctie
SAVE (4.1.13).
7. U kunt deze nieuwe witbalans-instelling nu
- ofwel overnemen met een druk of de
SAVE-knop;
Op het LCD-scherm verschijnt de melding
Whitebalance set
- of verdere instellingen naar wens uitvoeren, zoals onder 3. - 6.
beschreven staat.
Op het LCD-scherm verschijnt telkens de onder 3. beschreven
melding.
Opmerking:
Tegelijk met de opgeslagen witbalans-instelling zal ook de betreffende
opname worden opgeslagen, d.w.z. bijkomend met de ongewijzigde,
oorspronkelijke opname.
Een waarde die op deze wijze is bepaald, blijft zo lang opgeslagen, d.w.z.
wordt voor alle volgende opnames gebruikt, tot er een nieuwe meting of
een andere instelling van de witbalans wordt gebruikt.
34
ISO-filmgevoeligheid
De ISO-instelling van de Leica S biedt in zes stappen een juiste hand-
matige aanpassing van sluitertijd/diafragmawaarde aan de betreffende
omstandigheden.
Behalve de vaste instellingen biedt de Leica S ook de optie
Auto
1
waarbij de
camera de filmgevoeligheid automatisch aan het omgevingslicht aanpast.
Met de functie is het echter ook mogelijk prioriteiten vast te leggen, bijv. om
reden van beeldvorming. U kunt zowel het gebied van de toegepaste gevoe-
ligheidsniveaus begrenzen, alsook de sluitertijd bepalen vanaf wanneer de
gevoeligheid automatisch wordt verhoogd.
Opmerking:
In de digitale fotografie geldt algemeen dat elk hoger gevoeligheidsni-
veau toenemend meer ruis oplevert. Houdt u hier rekening mee bij uw
overwegingen m.b.t. de beeldkwaliteit
Let er bij serie-opnamen (zie p. 36) op dat u de opnamesnelheid bij hoge-
re gevoeligheden iets langzamer wordt.
1
Voor combinatie met het gebruik van flitsers staat deze optie niet ter
beschikking.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26) ISO (5.9) en
2. roep het submenu op. Het omvat de beschikbare ISO-waarden en het
punt
Auto.
Als u de gevoeligheid handmatig wilt vastleggen
3. Kies de gewenste waarde.
Als de gevoeligheid automatisch moet worden ingesteld
4. Selecteer
Auto.
Er verschijnt een submenu met de drie punten
OK, Set Maximum ISO en
Set Maximum Exposure Time.
Als de automatische instelling onbegrensd moet functioneren
5. Selecteer in dit submenu
OK.
De automatische instellng zal alle gevoeligheden toepassen, alsook
sluitertijden tussen
1
/
2
s en
1
/
500
s.
Als u het gebied van de automatische instelling wilt begrenzen
6. Selecteer in dit submenu
Set Maximum ISO en/of Set Maximum Exposure
Time
.
Bij
Set Maximum ISO verschijnt een lijst met de beschikbare waarden,
bei
Set Maximum Exposure Time nog een submenu met de keuzes 1/f
en
Manual Setting.
7. Kies in de lijst
Set Maximum ISO de hoogste gevoeligheid die u wilt
gebruiken en leg zodoende vast in welk gebied de automatische instel-
ling dient te werken, resp.
8. in het submenu
Set Maximum Exposure Time of wel 1/f, als u het aan
de camera wilt overlaten sluitertijden in te stellen die bewegingson-
scherpte voorkomen, ofwel
Manual Setting.
Bij
1/f schakelt de camera pas dan naar een hogere gevoeligheid als
wegens te geringe helderheid de sluitertijd onder de
1
/
brandpunt
-drem-
pel zou vallen, dus bijv. bij langere tijden dan
1
/
60
s met een 70mm-
objectief.
9. Kies in de lijst
Manual Setting welke langste sluitertijd u wilt vastleggen
(
1/2s - 1/500s; in hele stappen).
35
Opmerking:
De in de volgende twee alinea's beschreven opties en instellingen heb-
ben alleen betrekking op opnamen in een van de JPEG-formaten. Als
u een van de beide DNG-bestandsformaten hebt vastgelegd, zijn de
betreffende menu-opties niet beschikbaar. U kunt met uw computer
later zelf aanpassingen maken.
Beeldeigenschappen / contrast, scherpte, kleurverzadiging
Alle drie beeldeigenschappen kunnen onafhankelijk van elkaar - via het
menu elk op drie niveaus worden ingesteld, zodat u ze optimaal aan de
betreffende situatie, d.w.z. aan de aanwezige lichtomstandigheden kunt
aanpassen. In het geval van
Saturation kunt u als vierde variant ook B & W
kiezen.
Instellen van de functies
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26), Contrast
(5.15), resp.
Sharpness (5.16), resp. Saturation (5.17) en
2. in het betreffende submenu het gewenste niveau (
low, Standard, High).
Kleurruimte
De Leica S kan op een van deze drie kleurruimten worden ingesteld,
d.w.z.
sRGB, Adobe RGB of ECI RGB 2.0.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 13/26) Color
Management
(5.14) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste functie.
Opslag van beeldgegevens / geheugenkaartenbeheer
Indien u twee geheugenkaarten in de camera hebt gestopt (zie p. 21),
kunt u met de Leica S kiezen,
- of de beeldgegevens eerst op een van de beide kaarten moet worden
opgeslagen tot de capaciteitsgrens is bereikt en daarna op de andere
kaart -
Sequential, of
- altijd gelijktijdig op beide -
Parallel, of
- dat de beeldgegevens direct via een kabel naar een computer moeten
worden overgedragen -
External.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) Data
Storage
(5.18) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste functie.
Opmerkingen:
Als u
Sequential hebt ingesteld:
- de beeldgegevens worden eerst op de CF-kaart opgeslagen en dan,
als de capaciteitsgrens is bereikt, op de SD/SDHC/SDXC-kaart.
- als er alleen maar een SD/SDHC/SDXC-kaart in de camera zit, zullen
de beeldgegevens vanzelf daarop worden opgeslagen.
Dit is onafhankelijk van de ingestelde bestandsformaten (zie p. 32).
Als u
Parallel en beide bestandsformaten hebt ingesteld:
- de DNG-bestanden worden in principe altijd op de CF-kaart opgesla-
gen en de JPEG-bestanden op de SD/SDHC/SDXC-kaart.
Als er maar één kaart in de camera zit (doet er niet toe welke), zullen
alle beeldgegevens daarop worden opgeslagen.
Wanneer de camera met een computer wordt verbonden, schakelt
deze automatisch om op
External en zodra de verbinding wordt verbro-
ken, weer terug in de oorspronkelijke instelling.
36
OPNAMEMODUS
DE ONTSPANNER
De Leica S heeft een drietraps-ontspanner (1.1):
1. Door hem kort aan te tippen activeert u de afstands- en belichtings-
meetsystemen, alsook de indicaties in de zoeker en op het display aan
de bovenzijde van de camera.
Als u de ontspanner in deze stand vasthoudt, blijven de meetsystemen
en indicaties aan.
Als u de ontspanner loslaat, blijven de meetsystemen en indicaties nog
ca. 12s ingeschakeld.
Opmerkingen:
Als van tevoren de weergavemodus was ingesteld (zie p. 56), zal de
camera bij het aantippen van de ontspanner naar de opnamemodus
wisselen; als de camera in stand-by (zie p. 30) stond, zal hij daardoor
weer worden geactiveerd, d.w.z. de meetsystemen en indicaties wor-
den ingeschakeld.
De ontspanner blijft geblokkeerd
- als het interne buffergeheugen tijdelijk vol is, bijv. na een opname-
reeks (ook als er geen geheugenkaart in de camera zit), of
- als de geheugenkaart(en) in de camera vol is/zijn.
2. Door het drukpunt in deze stand vast te houden, wordt de belich-
tingsmeetwaarde bij spot- en centrum-georiënteerde meting in de
programma's
, en opgeslagen (zie p. 44/45). Bij gebruik van
autofocus in het programma
AFs - scherpteprioriteit (zie p. 37) wordt
daardoor gelijktijdig de scherpte-instelling opgeslagen. Na het losla-
ten van de ontspanner kan een nieuwe meting worden uitgevoerd.
Opmerkingen:
Het opslaan van belichtingsmeetwaarde en/of de automatische scherp-
te-instelling kan via de menubediening bovendien nog aan de 5-richtings-
knop (1.17) worden toegewezen (zie p. 39).
3. Als u doordrukt, ontspant de camera, resp. start hij een evt. ingestelde
zelfontspannercyclus (zie p. 46).
Serieopnamen
Met de Leica S kunt u niet alleen afzonderlijke opnamen, maar ook serie-
opnamen maken.
Instellen en gebruik van de optie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 10/26) Drive
Mode
(5.1) en
2. in het bijbehorende submenu dan
Continuous.
3. De verdere werking bepaalt u dan zelf door de manier waarop u de ont-
spanner bedient:
- zolang u de ontspanner geheel ingedrukt houdt (en de capaciteit van
het buffergeheugen, ofwel de geheugenkaart(en) het toelaat), worden
er serieopnamen gemaakt.
- Als u de ontspanner echter kort indrukt, worden er verder afzonderlijke
opnamen gemaakt.
Opmerkingen:
Het buffergeheugen van de camera laat maar een beperkte hoeveelheid
serieopnamen toe (zie p. 73). Bij het eerste drukpunt van de ontspanner,
ofwel tijdens de serieopname, ziet u in de zoeker (2.10a) hoeveel opna-
men in de serie mogelijk zijn, resp. nog mogelijk zijn.
Onafhankelijk van het aantal opnamen in een serie, wordt in beide weer-
gavemodi (zie p. 56) vooralsnog de laatste foto van de serie resp. de
laatste foto van de serie getoond die op de geactiveerde geheugenkaart
(zie p. 60) is opgeslagen mits op dit tijdstip nog niet alle opnamen van
de serie door het interne buffergeheugen van de camera naar de kaart
zijn overschreven.
In het gedeelte vanaf p. 56 is beschreven hoe de andere opnamen van
de serie kunnen worden gekozen en welke mogelijkheden er verder nog
zijn voor de weergave.
37
AFSTANDSINSTELLING
De Leica S biedt u in combinatie met alle S-objectieven de keuze tussen
handmatige of automatische afstandsinstelling. Het autofocus-systeem
stelt de afstand tot de delen van het motief vast die zich in het midden
van het beeldveld bevinden; dit gebied is gemarkeerd door het kruis op
het instelglas.
Onafhankelijk van het programma zal de indicatie in de zoeker u over de
betreffende instelling informeren:
- de linker driehoek duidt aan dat er te ver weg is gefocust (verschijnt
alleen bij handmatige modus, resp bij handmatig oversturen van de
autofocus)
- Het middelste punt toont de juiste instelling (brandt continu), ofwel het
systeem kan de afstand niet bepalen (knippert)
- De rechter driehoek duidt aan dat te kortbij is gefocust (verschijnt
alleen bij handmatige modus, resp bij handmatig oversturen van de
autofocus)
Verdere details m.b.t. de indicaties vindt u op p. 10.
Opmerking:
Het meetsysteem werkt passief, op basis van contrasten, d.w.z. de
licht/donkerverschillen van het onderdeel van het motief waar u op
richt. Het is daarom afhankelijk van een zekere minimale helderheid en
contrast in het motief.
Instellen van de modus
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (z. pag. 16/26)
Sharpness (5.2) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste variant.
HANDMATIGE INSTELLING - MF
Draai aan de afstandsinstelring (1.8) van het objectief, zodat uw motief,
resp. het belangrijkste onderwerp daarin in de zoeker op het instelglas
scherp wordt afgebeeld.
Opmerking:
Ook bij handmatige instelling van scherpte kunt u met de 5-richtings-
knop (1.17) altijd de autofocus weer activeren (zie de volgende alinea
en de sectie over de functie van de 5-richtingsknop op p. 39).
De Leica S wordt standaard geleverd met een volledig mat glas, waar-
mee de onderwerpen in het complete beeldveld betrouwbaar kunnen
worden scherpgesteld. Dit glas is geschikt voor de meeste fotografi-
sche toepassingen, resp. motieven. Het is bijzonder nuttig bij fotogra-
feerwerk met lange brandpuntafstanden en op macrogebied.
Als toebehoren zijn er andere instelglazen (zie p. 65) verkrijgbaar die,
afhankelijk van het toepassingsgebied, optimale instelmogelijkheden
bieden en eenvoudig kunnen worden uitgewisseld.
AUTOMATISCHE INSTELLING
Er zijn twee verschillende autofocusprogramma's beschikbaar. Bij beide
wordt het instellen door aantippen (1. drukpunt, zie p. 36) van de ont-
spanner (1.1) gestart.
AFs (SINGLE) = SCHERPTEPRIORITEIT
Het onderwerp waarop u richt wordt scherpgesteld.
Daarna wordt het proces afgesloten, ook als u de ontspanner verder op
het 1e drukpunt ingedrukt houdt.
Zo lang u de ontspanner op het 2e drukpunt houdt, blijft de instelling
opgeslagen.
Voordat de camera heeft scherpgesteld kan hij niet ontspannen, ook
niet als u de ontspanner helemaal indrukt.
Opmerking:
Het opslaan van een AF-instelling is niet alleen mogelijk met de ontspan-
ner, maar ook met de 5-richtingsknop (1.17) (zie p. 39).
AFc (CONTINUOUS) = ONTSPANNERPRIORITEIT
De onderwerpen waarop u richt, worden scherpgesteld.
Het proces wordt voortgezet zolang u de ontspanner in het 1e of 2e
drukpunt ingedrukt houdt. Zolang de ontspanner ingedrukt is, wordt
de instelling gecorrigeerd zo gauw het meetsysteem andere voorwer-
pen op andere afstanden registreert, of zich de afstand van het eerst
geviseerde onderwerp wijzigt.
Het opslaan van een instelling is alleen mogelijk door de 5-richtings-
knop naar voren te duwen (zie p. 39).
Ook als de camera niet op een onderwerp heeft scherpgesteld, kan
hij altijd ontspannen.
38
BELICHTINGSMETING
BELICHTINGSMEETMETHODEN
De Leica S biedt drie verschillende belichtingsmeetmethoden:
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 16/26)
Exposure Metering (5.3) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste variant.
Spotmeting -
Voor de spotmeting wordt uitsluitend het midden van het beeldveld gere-
gistreerd en geanalyseerd. Het gebied wordt aangeduid met een cirkel in
het midden van matglas2.
Centrum-georiënteerde meting
Deze meetmethode houdt rekening met het gehele beeldveld, maar de in
het midden geregistreerde motief-onderwerpen bepalen veel sterker dan
de randgebieden de berekening van de belichtingswaarde.
Meerveldmeting -
deze meetmethode baseert op de registratie van vijf meetwaarden. Eén
meetwaarde wordt in een veld in het midden van het beeld bepaald en de
vier andere in de omliggende velden. De vijf meetwaarden worden in een
algoritme berekend die aan de situatie is aangepast, wat resulteert in een
belichtingswaarde die is afgestemd op de passende weergave van het
veronderstelde hoofdmotief.
1
De cirkel is niet bij alle types matglazen voorhanden (zie p. 66).
OPSLAAN VAN DE MEETWAARDE
De Leica S registreert
- bij de belichtingsmeting verschillende onderdelen van het motief en
waardeert deze verschillend, afhankelijk van de meetmethode,
- bij de autofocusmeting (zie p. 37) eveneens maar een deel van het
motief.
Het opslaan van deze waarden gebeurt eerst altijd met de ontspanner
(1.1, zie p. 36). Met de 5-richtingsknop (1.18) kunt u, afhankelijk van de
menu-instelling, bovendien een van de (opgeslagen) instellingen behou-
den, ook al wordt de ontspanner losgelaten.
In tegenstelling tot de ontspanner slaat de knop de betreffende instel-
lingen niet slechts voor één opname op, maar zo lang deze ingedrukt blijft,
dus eventueel ook voor meerdere opnamen.
Met het menupunt
AE-/AF-Lock (Automatic Exposure = automatische
belichtingsregeling / AutoFocus = automatisch scherpstellen) kiest u de
toewijzing van de functies.
Opslaan met de ontspanner
1. Richt de cirkel van in de zoeker op het te meten gebied.
2. Druk de ontspanner (1.1) in tot het 2e drukpunt. Zolang u dit drukpunt
vasthoudt, blijven de opgeslagen waarden behouden.
3. Met de automatische belichtingsprogramma's
, en (zie p.
44/45) verschijnt ook de lichtschaal (2.6) die de afwijking van de
opgeslagen meetwaarde weergeeft.
Als u in deze tijd het diafragma of de belichtingstijd niet wijzigt, zal
telkens de andere waarde vanzelf worden aangepast en worden weer-
gegeven.
4. Bepaal, terwijl u het drukpunt vasthoudt, de definitieve beelduitsnede en
5. drukt u de ontspanner door.
Het geheugen wordt gewist als de vinger het drukpunt van de ontspanner
loslaat.
39
Opslaan met de 5-richtingsknop
U kunt de scherpte- en belichtingsinstellingen ook opslaan, behalve
met de ontspanner, ten dele of volledig, door de 5-richtingsknop naar
voren te duwen. De functies van beide bedieningselementen worden in
het menu vastgelegd.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) AE-/AF-
Lock
(5.32) en
2. in het bijbehorende submenu eerst of u de functie van de in het menu
vastgelegde AF- of MF-modus wilt instellen.
In de autofocusmodus
3. Kies in het betreffende submenu een van de volgende varianten:
-
AF-L (AF Lock = AF-opslag)
De ontspanner zal de belichting en de autofocus-instelling opslaan.
Als u de 5-richtingsknop (1.17) ingedrukt houdt, wordt de autofocus-
instelling ook opgeslagen, zelfs als u de ontspanner loslaat.
-
AE-L (AE Lock = AE-opslag)
De ontspanner slaat de belichting en de autofocus-instelling op. Als u
de 5-richtingsknop (1.17) ingedrukt houdt, wordt de belichtingsinstel-
ling ook opgeslagen, zelfs als u de ontspanner loslaat.
-
AF-L + AE-L
De instellingen die eerst met de ontspanner zijn opgeslagen, blijven
behouden zolang de 5-richtingsknop (1.17) ingedrukt blijft.
In de MF-modus
Bij de handmatige scherpte-instelling kunt u met de 5-richtingsknop de
AF-modus en/of afhankelijk van de instelling de belichting toch nog
tijdelijk activeren, d.w.z. voor de momentele opname.
3. Kies in het betreffende submenu een van de volgende varianten:
-
AFs On (Autofocus single)
Door de 5-richtingsknop (1.17) naar voren te duwen, activeert u deze
AF-modus voor één opname. De scherpte-instelling die daarop volgt
blijft behouden totdat u deze verandert door handmatig bij te stellen,
of door opnieuw op de knop te drukken. De belichtings- en autofocus-
instellingen zullen worden opgeslagen als de ontspanner (1.1) tot het
drukpunt wordt ingedrukt.
-
AFs On / AE-L
Net als AFs on, maar door op de knop te drukken, slaat u gelijktijdig de
belichtingsinstelling op. De autofocus-instelling wordt verder met de
ontspanner opgeslagen.
-
AFc On (Autofocus continuous)
Door op de 5-richtingsknop te drukken (1.17) activeert u deze modus
voor één opname. De scherpte-instelling blijft behouden totdat u deze
verandert door handmatig bij te stellen, of door opnieuw op de knop te
drukken. De belichtingsinstelling zal worden opgeslagen door de ont-
spanner tot het drukpunt in te drukken, maar de autofocus-instelling
niet.
-
AFc On / AE-L
Net als AFc on, maar door op de knop te drukken, slaat u gelijktijdig
de belichtingsinstelling op. De autofocus-instelling kan niet worden
opgeslagen.
-
AE-L
Door op de 5-richtingsknop (1.17) te drukken, wordt de belichtingsin-
stelling opgeslagen.
BELICHTINGSCORRECTIES
Instellen en verwijderen van een belichtingscorrectie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 16/26) Exp.
Compensation
(5.4).
Op het LCD-scherm verschijnt een schaal met een rood gekenmerk-
te EV-waarde in de vorm van een submenu en daarboven een witte
driehoek om de betreffende instelling aan te duiden. Als deze op de
waarde
O staat, wil dit zeggen dat de functie uitgeschakeld is.
2. Stelt u in het bijbehorende submenu de gewenste waarde in door aan
het instelwiel (1.18) te draaien, resp. door de 5-richtingsknop (1.17)
naar links of rechts te duwen.
In de oorspronkelijke menulijst wordt een ingestelde correctie met
EV+X
1
aangeduid.
In de zoeker verschijnt
het betreffende pictogram (2.8) en de correctiewaarde op de licht-
schaal (2.6)
Op het display aan de bovenzijde verschijnt
+ of - (3.9), afhankelijk van de richting van de correctie
Opmerkingen:
Een ingestelde correctiewaarde blijft ook behouden als u de camera
uitschakelt.
Deze menufunctie kunt u ook direct oproepen (zie p. 29) door langer op
de knop te drukken (1.23).
Belangrijk:
Een op de camera ingestelde belichtingscorrectie beïnvloedt uitsluitend
de meting van het voorhanden licht, d.w.z. niet die van de flitser (Meer
informatie over flitsfotografie vindt u in het gedeelte vanaf p. 52).
1
Voorbeeld, ofwel plus of minus, Xstaat voor de betreffende waarde
4140
BELICHTINGSREEKSEN
Beschikbaar zijn:
- 2 opname-aantallen: 3 of 5.
- 4 niveaus: 0,5EV, 1EV, 2EV en 3EV
Instellen van de optie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 16/26),
Exp. Bracketing (5.5).
Op het LCD-scherm verschijnt het submenu met de drie punten
Number of Frames, Aperture Stops en Automatic, met daaronder een
schaal. Als er gelijktijdig een belichtingscorrectie is ingesteld, zal dit
met de betreffende waarde onder de schaal worden weergegeven.
2. Maak bij opnamen een keuze of u een belichtingsreeks wilt uitvoeren,
resp. het aantal opnamen, door aan het instelwiel (1.18) te draaien,
ofwel door de 5-richtingsknop (1.17) naar links of rechts te drukken.
Boven de gekozen, rood gekenmerkte intervallen op de schaal
verschijnen nu witte driehoeken. Deze duiden de betreffende belich-
tingswaarden aan.
Opmerking:
Als er gelijktijdig een belichtingscorrectie is ingesteld, zal de nul-belich-
ting, d.w.z. het uitgangspunt van de belichtingsreeks, bij de belichtings-
programma's
, en (zie p. 44/45) met de gecorrigeerde belichtings-
waarde overeenkomen.
3. Bevestig de instelling door op het instelwiel te drukken, ofwel door de
5-richtingsknop naar voren, boven of beneden te drukken.
De instelling bij
Aperture Stops is gemarkeerd als gereed voor ver-
werking.
4. Kies de gewenste trap door aan het instelwiel te draaien of door de
5-richtingsknop naar links of rechts te drukken.
De gekenmerkte intervallen en de driehoeken zullen van positie wis-
selen, afhankelijk van de gekozen trap.
Opmerkingen:
Als de belichtingsreeks het bereik van ±3EV overschrijdt door de
combinatie van opname-aantal en trap zal de schaalindeling van ±3EV
naar ±6EV wisselen. De gekenmerkte intervallen en driehoeken zullen
zich aanpassen.
Houd er rekening mee dat de beide instellingen moeten worden inge-
steld en bevestigd, omdat de optie anders niet actief is.
5. Bevestig de instelling door op het instelwiel te drukken, ofwel door de
5-richtingsknop naar voren, boven of beneden te drukken.
De instelling bij
Automatic is gemarkeerd als gereed voor verwerking.
6. Kies de gewenste instellingen door aan het instelwiel te draaien, ofwel
door aan de 5-richtingsknop naar links of rechts te draaien:
On voor de
automatische afloop van de reeks na 1x ontspannen,
Off voor individu-
eel ontspannen van elke opname.
7. Bevestig de instelling door op het instelwiel te drukken, ofwel door de
5-richtingsknop naar voren te drukken.
In de oorspronkelijke menulijst wordt een ingestelde belichtings-
reeks met
XEV /X1 aangeduid.
8. Door een keer of vaker te ontspannen worden alle opnamen gemaakt.
In de zoeker verschijnt
het betreffende pictogram (2.8)
volgens de stappen de veranderende indicaties van de sluitertijd (2.2)
en het diafragma (2.4)
Op het display aan de bovenzijde verschijnt
naast het belichtingsprogramma, voor de overbelichting(en) een
+, voor
de ongecorrigeerde opname een
0, voor de onderbelichting(en) een - (3.9)
de indicatie van een belichtingsreeks (3.14b)
Op het LCD-scherm verschijnt (bij de indicatie van de opnamegege-
vens, zie p. 12)
het betreffende pictogram (4.1.27)
1
voorbeeld; de eerste Xis voor de trap, de tweede voor het opnamegetal
41
Opmerkingen:
Afhankelijk van het belichtingsprogramma (zie de sectie „Belichtingsre-
geling“, vanaf p. 42) ontstaan de belichtingsstappen door het aanpas-
sen van de sluitertijden en/of diafragma's.
De volgorde van de belichtingen is: overbelichting(en), juiste belichting,
onderbelichting(en)
Bij toepassing van de automatische belichtingsreeks zijn alle
AUTO ISO-
instellingen (zie. p. 34) vastgelegd:
- De door de camera automatisch voor de ongecorrigeerde opname
uitgerekende gevoeligheid zal ook voor alle andere opnamen van een
reeks worden gebruikt, d.w.z. dat deze ISO-waarde in het verloop van
de reeks niet wordt gewijzigd.
- De instellingen in de
AUTO ISO-submenu's zijn zonder uitwerking, d.w.z.
het beschikbare sluitertijden-bereik staat in volle omvang ter beschik-
king.
Afhankelijk van de oorspronkelijke belichtingsinstelling kan het werk-
gebied van de automatische belichtingsreeks beperkt zijn.
Onafhankelijk daarvan wordt altijd het ingestelde aantal opnamen
gemaakt en zijn daarom evt. aan het eind van het werkgebied meerdere
opnames van een serie op dezelfde manier belicht.
De optie blijft actief tot deze weer in het menu wordt uitgeschakeld of
de camera wordt uitgeschakeld.
OVER- EN ONDERSCHRIJDING VAN MEETBEREIK
Wanneer het meetbereik van de camera wordt onderschreden, is een
precieze belichtingsmeting niet mogelijk. De evt. in de zoeker nog aan-
wezige meetwaarden kunnen tot verkeerde belichtingsresultaten leiden.
Daarom verschijnt bij een onderschreden meetgebied altijd de indicatie
(2.2b) in de zoeker.
42
BELICHTINGSREGELING
INSTELLEN VAN SLUITERTIJD EN DIAFRAGMA / KEUZE VAN
BELICHTINGSPROGRAMMA
In de Leica S kunt u zowel de instelling
- van de sluitertijd- en diafragmawaarden bij handmatige voorkeuze,
- alsook die van de 3 automatische belichtingsprogramma's
met maar 2 bedieningselementen, nl. het sluitertijd-instelwiel (1.11) en
het instelwiel (1.18) uitvoeren.
Zowel in de zoeker (1.16/2), alsook op het display aan de bovenzijde
(1.12/3) en op het LCD-scherm (1.23/4), bij de indicatie van opname-
gegevens (4.1) en in het display
INFO (4.5) worden de betreffende instel-
lingen evenals de gekozen bedrijfsmodi getoond (zie daartoe ook de
betreffende verklaringen en opsommingen op de pp. 10 en 11).
SLUITERTIJDENWIEL (1.11)
Met dit wiel stelt u handmatig de sluitertijd in in de programma's
(Handmatig instellen van sluitertijd en diafragma) en
(Diafragma-
automaat).
Afhankelijk van het gebruikte diafragma staan de volgende sluitertijden
ter beschikking:
- met de spleetsluiter van de camera Hoofdschakelaar (1.15) op
FPS
(zie p. 25) - van 6s t/m
1
/
4000
s
- met de geïntegreerde centraalsluiter van sommige Leica S-objectieven
Hoofdschakelaar (1.10) op
CS (zie p. 25) van 6s t/m
1
/
1000
s. Als er
echter langere sluitertijden dan 8s (via menu, zie p. 46) of kortere slui-
tertijden worden ingesteld, zal de camera automatisch naar spleetslui-
ter omschakelen.
- In beide gevallen kunt u ook halve tijd-trappen instellen.
Opmerking:
De langste, handmatig instelbare sluitertijd (bij
en ) is 6s. Dit corres-
pondeert op het instelwiel met de positie tussen de laatste ingegraveerde
sluitertijd 4s en
(voor flits-synchronisatietijd).
Voor automatische en traploze regeling van de sluitertijd door de camera
- in de programma's
(Programmautomatik) en (Zeitautomatik)
moet u de positie
Auto instellen.
Langdurige belichtingen tot max 125s kunt u instellen in stand
B.
Bij gebruik van niet-systeemconforme flitsers en de camera-interne
spleetsluiter adviseren wij u de flitssynchronisatietijd (
1
/
125
s = ) te
gebruiken.
HET INSTELWIEL (1.18)
Door te draaien aan het instelwiel stelt u het diafragma handmatig in in de
programma's
en . Er zijn ook halve trappen mogelijk.
Door op het instelwiel te drukken wisselt u tussen de handmatige instel-
ling van het diafragma en de automatische regeling door de camera in
de programma's
en .
De tabel verduidelijkt de functionele samenhang tussen de beide bedie-
ningselementen
Instelling van de Modus/Programma Instelwiel
Sluitertijdenwiel
Draaien Drukken
6s t/m
1
/
4000
s Handmatige instelling wijzigt de diafragmawaarde leidt naar wissel tot
Diafragma-automaat geen functie leidt naar wissel tot
Auto Tijdautomaat wijzigt diafragmawaarde leidt naar wissel tot
Programma-automaat leidt naar „Shiften“ van de leidt naar wissel tot
vastgelegde sluitertijd- en
diafragmawaarde (zie p. 44)
43
Als beveiliging tegen het per ongeluk verstellen van het programma
kunt u de reactietijd, d.w.z. de indruk-tijd van het instelwiel, verlengen.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Click
Wheel Exp. Mode (5.34) en
2. in het bijbehorende submenu
Short Push (1s) of Long Push (2s).
Voor volledige beveiliging tegen het abusievelijk verstellen van pro-
gramma, sluitertijd en diafragma kunt u de functie van beide instelwie-
len buiten werking stellen, wat wil zeggen dat draaien en drukken dan
in de opnamemodus geen instellingen kan wijzigen.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Key
Lock (5.33) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste optie.
Op het display aan de bovenzijde verschijnt
het betreffende pictogram
(3.14c)
44
DE BELICHTINGSPROGRAMMA'S
De Leica S biedt u 4 belichtingsprogramma's ter keuze aan.
PROGRAMMA-AUTOMAAT - P
Instellen van de modus
1. Door op het instelwiel (1.18) te drukken, stelt u het diafragma op auto-
matische regeling in, d.w.z. in dit geval op Programma-automaat.
2. Zet de sluitertijdknop (1.11) op
AUTO.
Belichtingstijd en objectiefdiafragma worden nu automatisch aan de
hand van het beschikbare licht traploos ingesteld tussen 125s en
1
/
4000
s,
resp.
1
/
1000
s, bij gebruik van de centraalsluiter in sommige Leica-S-objec-
tieven, en tussen volledig open en het kleinste beschikbare diafragma
van het betreffende objectief.
In de zoeker en het display aan de bovenzijde verschijnen
P (2.3.a/3.8) voor het gekozen belichtingsprogramma en
de automatisch geregelde tijd-(2.2.a/3.12) en diafragmawaarden
(2.4/3.11).
Opmerkingen:
Als u gelijktijdig de automatische gevoeligheidsinstelling (zie p. 34) hebt
geactiveerd, zal de sluitertijd ook bij volledig open diafragma pas over
de 1/brandpunt-tijd heen worden verlengd als de hoogste ingestelde
gevoeligheid is bereikt.
Bij zeer weinig licht of uitzonderlijke helderheid kan het voorkomen dat
het beschikbare tijd/diafragma-bereik onvoldoende is. In zulke uiterst
zeldzame gevallen zal er in de zoeker
(2.2b) voor onderbelichting
verschijnen (evt. ook als waarschuwing voor onderschrijden van het
meetgebied; zie hierover „Onderschrijden van het meetgebied“, p. 41),
of
(2.2b) voor onderbelichting. Een juiste belichtingsmeting is dan
niet meer mogelijk.
Programma-Shift
Met de optie Programma-Shift van de Leica S kunt u de sluitertijd/
diafragma-combinatie die door de Programma-automaat is ingesteld wij-
zigen, terwijl de algehele belichting, d.w.z. de helderheid van het beeld,
ongewijzigd blijft.
Instellen van de functie
Draai aan het instelwiel (1.18)
- naar rechts voor een groter diafragma (kleiner getal), resp. voor kortere
sluitertijden
- naar links voor een kleiner diafragma (groter getal), resp. voor langere
sluitertijden
In de zoeker en het display aan de bovenzijde verschijnen
P (2.3.a/3.8) voor het gekozen belichtingsprogramma,
S (3.10) op het display aan de bovenzijde als indicatie dat de Shift-optie
aan staat, en
de automatisch geregelde tijd- (2.2.a/3.12) en diafragmawaarden
(2.4/3.11), die zich tegengesteld veranderen.
Opmerking:
Shift-instellingen blijven behouden
- als er een opname is gemaakt
- ongeacht en langer dan de 12s (zie p. 36) die het belichtingssysteem
ingesteld blijft,
maar niet
- als u naar een ander belichtingsprogramma wisselt (A, T, M)
- bij het uit- en inschakelen van de camera (ook door
Auto power Off).
Dat betekent dat in deze gevallen de camera, als u de Programma-auto-
maat opnieuw instelt, altijd eerst de standaardinstelling van sluitertijd en
diafragma toepast.
TIJDAUTOMAAT - A
Instellen van het programma
1. Stel met een druk op het instelwiel (1.18) het diafragma op handma-
tige regeling in.
2. Zet de sluitertijd-draaiknop (1.11) op A.
3. Stel het gewenste diafragma in door aan het instelwiel te draaien.
De belichtingstijd wordt nu automatisch aan de hand van het beschik-
bare licht traploos ingesteld tussen 125s en
1
/
4000
s, resp.
1
/
1000
s,
bij gebruik van de centraalsluiter in sommige Leica-S-objectieven.
In de zoeker en het display aan de bovenzijde verschijnen
A (aperture priority) voor het gekozen belichtingsprogramma
(2.3.b/3.8),
de handmatig ingestelde diafragmawaarde (2.4/3.11), alsook
de handmatig ingestelde tijdwaarde (2.2.a/3.12).
Opmerkingen:
Als gelijktijdig de automatische gevoeligheidsinstelling is geactiveerd
(zie p. 34), zal het regelgebied van de tijdautomaat zich vergroten.
Bij zeer weinig licht of uitzonderlijke helderheid kan het voorkomen dat
het beschikbare sluitertijdengebied voor het gekozen diafragma-gebied
onvoldoende is. In zulke uiterst zeldzame gevallen zal er in de zoeker
(2.2b) voor onderbelichting verschijnen (evt. ook als waarschuwing
voor onderschrijden van het meetgebied; zie hierover „Onderschrijden
van het meetgebied“, p. 41), of
(2.2b) voor onderbelichting. Een juis-
te belichtingsmeting is dan niet meer mogelijk.
45
DIAFRAGMA-AUTOMAAT - T
Instellen van de modus
1. Door op het instelwiel (1.18) te drukken, stelt u het diafragma op auto-
matische regeling in, d.w.z. in dit geval op Diafragma-automaat.
2. Stel met het sluitertijden-instelwiel (1.11) de gewenste belichtingstijd in.
Het objectiefdiafragma wordt dan automatisch bepaald door het aan-
wezige licht en wel traploos van het geopende tot het kleinste diafragma
van het betreffende objectief.
In de zoeker en het display aan de bovenzijde verschijnen
T (time priority) voor het gekozen belichtingsprogramma (2.3.c/3.8)
de automatisch gestuurde diafragmawaarde (2.4/3.11).
de handmatig ingestelde tijdwaarde (2.2.a/3.12)
Opmerkingen:
Als gelijktijdig de automatische gevoeligheidsinstelling is geactiveerd
(zie p. 34), zal zich het regelgebied van de diafragma-automaat ver-
groten. Een maximale sluitertijd die u evt. in samenhang met de auto-
matische gevoeligheidsinstelling hebt ingesteld, blijft echter zonder
uitwerking.
Bij zeer weinig licht of uitzonderlijke helderheid kan het voorkomen dat
het beschikbare diafragmagebied van het gebruikte objectief voor de
gekozen belichtingstijd niet meer voldoende is. Stel, indien mogelijk,
een andere sluitertijd in. Over het algemeen zal er ook in deze gevallen
een juiste belichting plaatsvinden door automatische instelling van een
geschikte sluitertijd, d.w.z. door „oversturing“ van de handmatige
instelling.
(2.2b) verschijnt evt. ook als waarschuwing voor het
onderschrijden van het meetgebied (zie p. 41). Een juiste belichtings-
meting is dan niet meer mogelijk.
Als het sluitertijden-instelwiel op
(=
1
/
125
s) is ingesteld, zal de camera
op
M omschakelen (zie volgende sectie). Zo gauw er een andere sluiter-
tijd wordt ingesteld, zal hij terugschakelen naar T.
HANDMATIGE INSTELLING VAN DIAFRAGMA EN
BELICHTINGSTIJD - M
Instellen van de modus
1. Stel door lang (1s) op het instelwiel (1.18) te drukken het diafragma
op handmatige regeling in.
2. Stel het gewenste diafragma in door aan het instelwiel te draaien.
3. Stel met het sluitertijden-instelwiel (1.11) de gewenste belichtingstijd
in.
In de zoeker en het display aan de bovenzijde verschijnen
M voor het gekozen belichtingsprogramma (2.3.d/3.8),
de handmatig ingestelde tijd-(2.2.a/3.12) en diafragmawaarden
(2.4/3.11), alsook
een lichtschaal (2.6) waarmee de belichtingscompensatie plaatsvindt.
De lichtschaal toont de afwijking van de zojuist ingestelde tijd-/dia-
fragma combinatie ten opzichte van de gemeten belichtingswaarde. In
het gebied van ±3 EV vindt de indicatie plaats in
1
/
2
EV-stappen. Grotere
afwijkingen worden aangeduid door het knipperen van de buitenste mar-
kering van de lichtschaal.
Diafragma en/of tijd zijn voor een correcte belichting volgens de belich-
tingsmeterindicatie zolang te wijzigen tot slechts de nulmarkering van de
lichtschaal oplicht.
Opmerking:
Als gelijktijdig de automatische gevoeligheidsinstelling geactiveerd is
(zie p. 34), zal de laatste handmatige instelling worden toegepast.
Als er evt. in verband met de automatische gevoeligheidsinstelling een
maximale sluitertijd is ingesteld, blijft deze instelling zonder uitwerking.
46
DE B-INSTELLING
Met de B-instelling blijft de sluiter openstaan
- ofwel zolang de ontspanner ingedrukt blijft,
- of zo lang als u van tevoren hebt ingesteld
(in beide gevallen maximaal 125s).
Als u de belichtingstijd wilt vastleggen (sluitertijden vanaf 8s zijn moge-
lijk):
1. Druk op het instelwiel (1.18),
Op het LCD-scherm verschijnt het instelmenu met de voor de inge-
stelde gevoeligheid beschikbare tijden. Een driehoek en de rode
streep zijn de indicaties van de momentele instelling.
2. door aan het instelwiel te draaien, ofwel de 5-richtingsknop naar links
of rechts te duwen, kiest u de gewenste belichtingstijd, of B als u geen
tijd wilt vastleggen.
3. bevestig de instelling door opnieuw op het instelwiel te drukken, ofwel
door de 5-richtingsknop naar voren te drukken.
Het instelmenu verdwijnt.
Als er een belichtingstijd is vastgelegd, hoeft u de ontspanner niet inge-
drukt te houden.
In de zoeker verschijnt
in plaats van een sluitertijd
(2.2c)
Op het display aan de bovenzijde verschijnt
B (3.13)
de ingestelde tijd, resp.
0, als er geen tijd is vastgelegd, (3.12)
na het openen van de sluiter
- als er geen tijd was vastgelegd: de aflopende belichtingstijd;
- als er wel een tijd was vastgelegd: de resterende tijd; beide tijden in
seconden
In combinatie met de zelfontspanner is tevens een T-functie beschik-
baar: Als zowel
B is ingesteld en ook de zelfontspanner door aantip-
pen van de ontspanner is geactiveerd, zal de sluiter na de gekozen
voorlooptijd automatisch openen. Deze blijft dan – zonder dat de
ontspanner hoeft te worden vastgehouden – continu geopend totdat
de ontspanner een tweede keer wordt ingedrukt. Zo kan de beweging-
sonscherpte die door bediening van de ontspanner evt. ontstaat ook bij
langdurige opnames verregaand worden vermeden. De belichtingsme-
ter blijft in beide gevallen uitgeschakeld.
Opmerkingen:
De langst mogelijke belichtingstijd is afhankelijk van de ingestelde
gevoeligheid: ISO100 -125s / ISO200 -60s / ISO400 -32s / ISO800
-16s / ISO1600 -8s
De ingestelde belichtingstijd blijft ingesteld totdat u
- ofwel nogmaals B in het instelmenu kiest,
- of de camera uitschakelt.
Bij lange belichtingstijden kan er beeldruis ontstaan. Ter verminde-
ring van dit storende verschijnsel maakt de Leica S automatisch na
opnames met langere sluitertijden een tweede „zwartopname“ (op de
gesloten sluiter). De bij deze parallel-opname gemeten ruis wordt dan
door de computer van de eigenlijke datarecord van de opname „afge-
trokken“.
Met deze verdubbeling van de „belichtings“-tijd moet bij langdurige
belichtingen rekening worden gehouden. De camera mag intussen niet
worden uitgeschakeld.
Bij langdurige opnamen is het raadzaam het oculairkapje (G) op het ocu-
lair te zetten. Dit voorkomt ongewenste bijkomende belichting.
Bij sluitertijden boven de
1
/
2
s verschijnt als tip de melding Noise
Reduction op het LCD-scherm
Langdurige belichtingen met de instelling
B kunnen alleen met de
spleetsluiter in de camera worden uitgevoerd, ook al staat de hoofd-
schakelaar (1.15) op
CS (zie p. 25).
FOTOGRAFEREN MET DE ZELFONTSPANNER
Met de zelfontspanner van de Leica S kunt u opnamen met een vertra-
ging van naar keuze 2 of 12s maken.
Instellen / uitvoeren van de optie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 16/26) Drive
Mode
(5.1) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste voorlooptijd.
3. Om het proces te starten, drukt u de ontspanner volledig in
(zie ook „De ontspanner“, p. 36).
Opmerking:
Tijdens het proces kunt u de voorlooptijd opnieuw starten, resp. verlen-
gen.
Volgorde
Bij 2s voorlooptijd:
eerst de belichtingsmeting, dan evt. het scherpstellen van het autofocus-
programma, dan klapt de spiegel naar boven. Dan pas begint de voor-
looptijd af te lopen.
Bij 12s voorlooptijd:
de voorlooptijd begint meteen nadat de ontspanner volledig is ingedrukt;
2s voor het ontspannen zal de spiegel naar boven klappen.
Indicaties
De aflopende voorlooptijd wordt weergegeven:
- op het LCD-scherm (1.23) d.m.v. de indicatie
Releasing in 12s en het
aftellen van de resterende tijd tot ontspannen.
- d.m.v. de LED op de voorzijde van de camera (1.2) bij 12s voorlooptijd
knippert hij de eerste 10s langzaam, daarna snel.
47
Annuleren van de optie
U kunt een aflopende zelfontspanner-voorlooptijd ook annuleren
- door de camera uit te schakelen, d.w.z. door de hoofdschakelaar (1.15)
naar de stand
OFF te draaien,
- in de loop van de 12s-zelfontspanner-voorlooptijd ook nog tijdens de
eerste 10s door op de knop (1.22) te drukken die in deze situatie belet-
terd is met
ABORT.
Als u de zelfontspanner niet meer wilt gebruiken, moet u hem in het
menu uitschakelen. Door het uitschakelen van de camera schakelt u de
optie mee uit.
Opmerking:
Als gelijktijdig de zelfontspanner-optie is ingesteld en de spiegel-
voorontspanner is geactiveerd (zie volgende sectie), zal de volgorde van
het proces in principe altijd na de gekozen voorlooptijd beginnen, d.w.z.
zonder dat de ontspanner opnieuw moet worden ingedrukt.
SPIEGELVOORONTSPANNING
Om de minimale, resterende invloeden van de spiegelbeweging en het
sluiten van het objectiefdiafragma uit te schakelen, biedt de Leica S de
mogelijkheid van spiegelvoorontspanning.
Instellen / uitvoeren van de optie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 16/26) Mirror
Up Mode
(5.8) en
2. in het bijbehorende submenu
ON of Off.
3. Druk de ontspanner volledig in, d.w.z. tot het 3e drukpunt (zie ook
„De ontspanner“, p. 36) om de spiegel omhoog te laten klappen.
4. Druk opnieuw op de ontspanner om de opname te maken.
Volgorde
Na de eerste druk op de ontspanner eerst de belichtingsmeting, dan
het scherpstellen, indien in autofocus-programma, dan klapt de spiegel
omhoog en het diafragma sluit op de betreffende waarde.
Pas als u de ontspanner nog eens indrukt volgt het ontspannen en daar-
door de eigenlijke opname.
Na de belichting klapt de spiegel terug en het diafragma opent op gebrui-
kelijke wijze.
Annuleren van de optie
De afloop van de spiegel-voorontspanner kan na de eerste druk op de
ontspanner worden geannuleerd zonder een opname te maken.
Dit kunt u doen door de camera met de hoofdschakelaar (1.15) uit te
schakelen in de stand
OFF; de spiegel klapt dan weer omlaag.
Als de spiegel-voorontspanning is ingesteld, zal de optie echter ook na
uit- en weer inschakelen van de camera geactiveerd blijven, d.w.z. als u
wilt dat de volgende opname zonder spiegel-voorontspanning worden
gemaakt, moet u de optie in het menu op
Off zetten.
Opmerkingen:
De opname moet binnen 2min na de eerste druk op de ontspanner
worden gemaakt. Als dit niet gebeurt, zal de spiegel automatisch weer
omlaag klappen om batterijcapaciteit te besparen (zonder dat de slui-
ter opent).
Terwijl de spiegel omhoog geklapt is, kunt u dit 2min-interval door aan-
tippen van de ontspanner altijd weer opnieuw starten.
Als gelijktijdig de zelfontspanner-optie is ingesteld en de spiegel-voor-
ontspanner is geactiveerd (zie vorige sectie), zal de volgorde van het
proces in principe altijd na de gekozen voorlooptijd beginnen, d.w.z.
zonder dat de ontspanner opnieuw moet worden ingedrukt.
SCHERPTEDIEPTEKNOP EN SCHERPTEDIEPTE
Met de Leica S kunt u het geopende diafragma in elk belichtingspro-
gramma naar de ingestelde, ofwel automatisch geregelde diafragma-
waarde sluiten. Af fabriek doet u dit met de diafragmeerknop (1.4).
Daarbij zullen de juiste waarden verder op het LCD-scherm en het dis-
play aan de bovenzijde worden weergegeven. De belichtingsmeting is
dan echter wel uitgeschakeld.
Om te kunnen diafragmeren, moet
1. de belichtingsmeting met de ontspanner zijn ingeschakeld
(zie p. 36) en
2. de ontspanner niet (meer) worden bediend.
Tijdens het indrukken van de knop is de ontspanner geblokkeerd.
OVERIGE FUNCTIES
HORIZON
Dankzij de geïntegreerde sensoren kan de oriëntatie van de Leica S in
de zoeker en op het LCD-scherm worden weergeven. De betreffende
indicatie in de zoeker (2.1, zie p. 10) wordt altijd getoond, maar op het
LCD-scherm alleen indien gewenst.
M.b.v. deze indicaties op de displays kunt u bij motieven waarvoor dit van
belang is, zoals bijv. architectuuropnamen met statief, de camera exact
op de lengte- en breedte-as uitlijnen.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Horizon
(5.30) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste optie.
Op het LCD-scherm verschijnt een verticale schaal en een horizintale
balk. Afwijkingen van de beide nulstanden worden afgebeeld met
rode markeringen en de horizontale oriëntatie langs de lengte- en
breedte-as door een groene markering in het midden. Bovendien
worden de betreffende waarden getoond.
Opmerkingen:
De weergaveprecisie bedraagt 1°.
Het LCD-scherm blijft zichtbaar totdat u het uitschakelt met de ont-
spanner of met een druk op de knop die in dit geval met
BACK is belet-
terd (1.21).
GEBRUIKERS- / PROGRAMMAPROFIELEN
Met de Leica S kunnen willekeurige combinaties van alle menu-instellin-
gen permanent worden opgeslagen, bijv. om ze steeds bij terugkerende
situaties / motieven snel en eenvoudig te kunnen oproepen. Er zijn vier
voorkeuzeprofielen voor dergelijke combinaties mogelijk, plus de onver-
anderlijke fabrieksinstelling die u altijd weer kunt oproepen. De naam van
de opgeslagen profielen kunt u wijzigen.
De op deze camera ingestelde profielen kunt u op een andere geheugen-
kaart overdragen om ze in andere camerabody's toe te passen, en u kunt
profielen die op een andere kaart zijn opgeslagen ook naar deze camera
overdragen.
Instellingen opslaan / profiel aanmaken
1. Stel de gewenste opties in het menu in.
2. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26) User Profile
(5.35),
3. in het submenu
SAVE as Profile en
4. in het bijbehorende submenu de gewenste geheugenplaats.
Een profiel selecteren
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26) User
Profile
(5.35).
Als u gebruikersprofielen hebt opgeslagen, zal de profielnaam in grijs
verschijnen; opslaglocaties die niet bezet zijn blijven groen.
2. Kies het gewenste profiel in het submenu - ofwel een van de opgesla-
gen profielen, of de
Default Profile.
Opmerking:
Als u een instelling van een momenteel toegepast profiel wijzigt, zal er in
de oorspronkelijke menulijst --- verschijnen, in plaats van de naam van
het eerder toegepaste profiel.
48
49
Naam profiel wijzigen
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26) Custom-
profil
(5.35),
2. in het submenu
Administrate Profiles en
3. in het bijbehorende submenu
Rename Profiles.
Het profielnummer en de naam verschijnen; het nummer is als
gereed voor bewerking gemarkeerd.
4. Kies het profiel waarvan u de naam wilt wijzigen, door aan het instel-
wiel (1.18) te draaien, of door op de 5-richtingsknop (1.17) naar boven
of beneden te drukken.
5. Bevestig de instelling door op het instelwiel te drukken, ofwel door de
5-richtingsknop naar voren, of naar rechts te drukken.
De volgende positie wordt gemarkeerd als gereed voor de instelling.
6. De cijfers, ofwel letters van de naam kunt u wijzigen door aan het
instelwiel te draaien, of door de 5-richtingsknop naar boven of naar
beneden te duwen; de andere tekens kunt u kiezen door op het instel-
wiel te drukken of de 5-richtingsknop naar voren, links of rechts te
duwen. De beschikbare tekens zijn de hoofdletters
A tot Z, de cijfers
van
0 tot 9 en een spatie _; ze zijn in deze volgorde in een eindeloze lus
gerangschikt.
7. Bevestig uw instelling door op het instelwiel te drukken, ofwel door de
5-richtingsknop naar voren te duwen.
Profielen op een kaart opslaan / van een kaart overnemen
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
IMAGE (zie p. 16/26) User
Profile
(5.35),
2. in het submenu
Administrate Profiles en
3. in het bijbehorende submenu
Import Profiles from Card , of Export
Profiles to Card
.
• Op het LCD-scherm verschijnt de betreffende registratie.
4. Bevestig met het instelwiel (1.18), resp. de 5-richtingsknop (1.17) of
u het profiel, ofwel de profielen werkelijk wilt im- of exporteren.
Opmerking:
Bij het exporteren worden in principe altijd alle 4 profielen naar de kaart
overgedragen, d.w.z. ook profielen die evt. leeg zijn.
Als gevolg daarvan worden bij het importeren van profielen alle evt.
reeds op de camera voorhanden profielen overgeschreven, d.w.z.
gewist.
Terugzetten van alle individuele instellingen
Met deze optie kunnen alle eigen instellingen in het menu in één keer op
de fabrieksinstellingen worden teruggezet.
Instellen van de functie
4. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Reset
(5.36) en
5. in het bijbehorende submenu
No of Yes.
Opmerking:
Deze reset betreft ook de evt. met
Save As Profile (zie vorige sectie) vast-
gelegde en opgeslagen profielen.
MAPPENBEHEER
De beelden worden op de geheugenkaarten in mappen opgeslagen die
automatisch worden aangemaakt. Deze mapnamen bestaan in principe
uit acht tekens: drie cijfers en vijf letters. In de fabrieksinstelling wordt
de eerste map „100LEICA“ genoemd, de tweede „101LEICA“ enz. Als
mapnummer wordt in principe altijd het betreffende volgende nummer
gebruikt; er zijn maximaal 999 mappen mogelijk. Als alle nummers zijn
verbruikt, zal er een waarschuwing op het LCD-scherm verschijnen.
De individuele afbeeldingen krijgen doorlopende nummers tot en met
9999, behalve als er zich op de geheugenkaart al een afbeelding met een
hoger nummer bevindt als het laatste dat de camera heeft aangemaakt.
In zulke gevallen telt de camera door volgens de nummering op deze
kaart. Als de actuele map het nummer 9999 bevat, zal er automatisch
een nieuwe map worden aangemaakt en de nummering zal weer bij 0001
beginnen. Als mapnummer 999 en beeldnummer 9999 zijn bereikt, zal
er op het LCD-scherm een betreffende waarschuwing verschijnen en zult
u de nummering moeten resetten (zie hieronder).
Met de Leica S kunt u bovendien altijd een nieuwe map aanmaken, zelf
de naam ervan bepalen, alsook de bestandsnamen wijzigen
Mappen aanmaken / namen zelf vastleggen / beeldnummers
resetten
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Image
Numbering
(5.19) en
2. in het bijbehorende submenu
New Folder.
De mapaanduiding verschijnt (eerst altijd „XXXLEICA“). Het eerste
van de vijf instelbare tekens is gemarkeerd om te kunnen worden
bewerkt.
U kunt de tekens 4-8 wijzigen.
Opmerking:
Als u geheugenkaarten gebruikt die niet met deze camera zijn geformat-
teerd (zie volgende sectie), zal de camera automatisch een nieuwe map
aanmaken.
1
De X“-tekens zijn bedoeld als plaatshouders.
3. De cijfers, ofwel letters van de naam kunt u wijzigen door aan het
instelwiel te draaien, of door de 5-richtingsknop naar boven of naar
beneden te duwen; de andere tekens kunt u kiezen door op het instel-
wiel te drukken of de 5-richtingsknop naar voren, links of rechts te
duwen.
De beschikbare tekens zijn de hoofdletters
A tot Z, de cijfers van 0 t/m
9 en een spatie _ ; ze zijn in deze volgorde in een eindeloze lus gerang-
schikt.
4. Bevestig uw instellingen met een druk op de knop (1.18) die in dit geval
met
OK is beletterd, resp. na het instellen van het laatste teken door op
het instelwiel te drukken, of de 5-richtingsknop naar voren te duwen.
Er verschijnt nog een submenu, met de vraag
Reset image numbering?.
5. Kies
Yes of No.
Nadat u uw keuze met een druk op het instelwiel ofwel de 5-richtings-
knop hebt bevestigd, verschijnt weer het onder punt 2. beschreven
instelmenu.
Opmerking:
U kunt de afbeeldingsnummers ook resetten zonder eerst een nieuwe
map aan te maken. Kies hiervoor in het beeldnummerings-submenu
Reset en ga dan verder zoals beschreven onder punten 4. en 5.
Bestandsnamen wijzigen
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Image
Numbering
(5.19) en
2. in het bijbehorende submenu
Change filename.
De bestandsnaam verschijnt. Het eerste van de instelbare tekens
(eerst altijd „LXXXXXX1“) is gemarkeerd om te kunnen worden
bewerkt.
U kunt de tekens 1-4 wijzigen.
3. De cijfers, ofwel letters van de naam kunt u wijzigen door aan het
instelwiel te draaien, of door de 5-richtingsknop naar boven of naar
beneden te duwen; de andere tekens kunt u kiezen door op het instel-
wiel te drukken of de 5-richtingsknop naar voren, links of rechts te
duwen.
De beschikbare tekens zijn de hoofdletters
A tot Z, de cijfers van 0 tot
9 en een spatie _ ; ze zijn in deze volgorde in een eindeloze lus gerang-
schikt.
4. Bevestig uw instellingen door op het instelwiel te drukken, ofwel door
de 5-richtingsknop naar voren te drukken.
De oorspronkelijke menulijst verschijnt.
FORMATTEREN VAN GEHEUGENKAART(EN)
Gewoonlijk is het niet nodig de geheugenkaart te formatteren (te initiali-
seren). Als er echter een nog niet geformatteerde kaart wordt ingezet, of
een kaart die in een ander toestel (bijv. een computer) is geformatteerd,
moet u deze eerst formatteren.
Belangrijk:
Door het formatteren zijn niet vanzelf alle gegevens op de kaart onher-
roepelijk verloren.
Met de juiste software kunnen evt. sommige gegevens weer toegankelijk
worden gemaakt. Alleen de gegevens die daarna door het opslaan van
nieuwe gegevens worden overschreven, zijn ook werkelijk definitief
gewist.
Opmerkingen:
Schakel de camera niet uit terwijl er een geheugenkaart wordt gefor-
matteerd.
Als de geheugenkaart in een ander apparaat is geformatteerd, bijv. een
computer, moet u deze in de Leica S opnieuw formatteren.
Als de geheugenkaart niet kan worden geformatteerd, vraag dan uw
dealer of de Leica informatiedienst (adres zie p. 74) om advies.
Bij het formatteren van geheugenkaarten worden zelfs beschermde
opnames (zie vorige hoofdstuk) gewist.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Format
(5.20) en
2. in het bijbehorende submenu welke van de twee kaarten, of beide, u
wilt formatteren.
Op het LCD-scherm verschijnt een betreffende vraag voor de
zekerheid, om onbedoelde instellingen te voorkomen.
3. Bevestig met het instelwiel (1.18), resp. de 5-richtingsknop (1.17) of u
de geheugenkaart(en) werkelijk wilt formatteren.
50
51
REGISTRATIE VAN OPNAMELOCATIE MET GPS
Met het Global Positioning System kan wereldwijd de juiste positie van
de ontvanger worden bepaald. De Leica S ontvangt, indien ingeschakeld,
continu de betreffende signalen en actualiseert daarmee de positiegege-
vens. De camera kan deze gegevens breedte- en lengtegraden, hoogte
boven NAP - in de „EXIF“-data wegschrijven.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), GPS
(5.37) en
2. daar dan
On of Off.
Het „Satellieten“-pictogram ((4.1.17), alleen in de opnamedata
(4.1)) op de monitor toont de betreffende status:
-
laatste positiebepaling maximaal 1min geleden
-
laatste positiebepaling maximaal 24h geleden
-
laatste positiebepaling minstens 24h geleden, of geen positie-
gegevens beschikbaar
Opmerkingen bij deze optie:
Voorwaarde voor de GPS-positiebepaling is een "vrij zicht" naar min-
stens 3 GPS-satellieten (van de in totaal 24 satellieten zijn er op elke
plek ter wereld 9 beschikbaar). Het is raadzaam de camera zodanig vast
te houden dat de GPS-antenne (1.3) verticaal naar boven wijst.
Let erop dat de GPS-antenne niet door uw hand of door andere voor-
werpen wordt bedekt, vooral niet van metaal.
Een foutloze ontvangst van GPS-satellietensignalen is bijv. op de vol-
gende plaatsen of situaties eventueel niet mogelijk. In deze gevallen is
er soms helemaal geen, of soms alleen maar foutieve positiebepaling
mogelijk.
- in gesloten ruimten
- onder de grond
- onder bomen
- in een bewegend voertuig
- in de buurt van hoge gebouwen of in nauwe dalen
- dichtbij hoogspanningsleidingen
- in tunnels
- naast mobiele telefoons
- als er toebehoren in de flitsschoen zit, zoals bijv. een flitser
Opmerking voor veilige toepassing:
De door het GDP-systeem geproduceerde elektromagnetische stra-
ling kan instrumenten en meetapparatuur beïnvloeden. Let u er daarom
vooral op bijv. aan boord van een vliegtuig voor het starten of landen, in
ziekenhuizen en op andere plaatsen waar radioverkeer aan beperkingen
onderworpen is, altijd de GPS-functie uit te schakelen.
Belangrijk (juridische gebaseerde gebruiksbeperkingen):
In bepaalde landen of regio's is het gebruik van GPS en daarmee
samenhangende technologieën zo mogelijk beperkt. Voor reizen naar
het buitenland dient u zich in elk geval bij de ambassade van het betref-
fende land, resp. uw reisorganisatie hierover te informeren.
Het gebruik van GPS in de Volksrepubliek China en in Cuba en in de
nabijheid van hun grenzen (uitgezonderd: Hong Kong en Macau) is door
de wet van deze landen verboden.
Overtredingen worden door de autoriteiten vervolgd! De GPS-functie
zal in deze gebieden daarom automatisch worden gedeactiveerd.
FLITSMODUS
ALGEMENE INFORMATIE OVER METING EN REGELING
FLITSBELICHTING
De Leica S bepaalt het benodigde flitsvermogen door het afgeven van
meerdere meetflitsen in een fractie van een seconde vóór de eigenlijke
opname. Direct daarna, bij het begin van de belichting, wordt de hoofd-
flits afgegeven.
Met alle factoren die de belichting beïnvloeden (bijv. filter, diafragma,
afstand tot hoofdmotief, reflecterende plafonds,…) wordt automatisch
rekening gehouden.
GESCHIKTE FLITSAPPARATEN
Aansluiting via de flitsschoen (1.14)
- alle flitsers en studio-flitsapparatuur die aan de actuele ISO-norm
10330, alsook de oudere DIN 19014 voldoen
1
(positieve polariteit aan
X-contact)
Aansluiten m.b.v. de onderste LEMO
®
-aansluiting (1.34)
- alle flitsapparatuur en studioflitsinstallaties waarvan de regeling via een
speciale kabel mogelijk is.
Aansluiting via de flitseraansluiting (1.31)
- studioflitsinstallaties en andere flitsapparatuur met flitserkabel en
genormeerde flitserstekker
De volgende flitsapparaten op de LEICA S zijn geschikt voor alle opties
die in deze handleiding zijn beschreven:
1
Wilt u bijv. een studioflitsinstallatie op de Leica S aansluiten die niet aan de ISO-
norm voldoet, wendt u zich dan tot de Customer Service van Leica Camera AG
(zie voor adres p. 74) of de klantenservice van een Leica-vertegenwoordiging.
Het systeemflitsapparaat Leica SF 58 (zie p. 65). Met een maximaal
richtgetal van 58 (bij ISO 100 en 105mm-instelling), een automatisch
aangestuurde zoom-reflector, een naar keuze inschakelbare, tweede
reflector, evenals vele overige functies is dit een krachtig en veelzijdig
apparaat. Dankzij een vast ingebouwde flitservoet met extra regel en
signaalcontacten, die voor de automatische overdracht van een hele
reeks gegevens en instellingen zijn, is het zeer eenvoudig te bedienen.
Flitsapparaten die aan de technische voorwaarden van een System-
Camera-Adaption (SCA) van het systeem 3002 voldoen, met de adapter
SCA-3502-M5 2,3 zijn uitgerust, het richtgetal kunnen regelen en HSS-
compatibel zijn (zie p. 54).
Er kunnen echter ook andere, gebruikelijke externe flitsapparaten met
gestandaardiseerde flitservoet 4, 5 en ontsteking via het positieve
middencontact (X-contact, 1.14a) worden gebruikt (zonder TTL-flitser-
regeling). Wij adviseren het gebruik van thyristor-geregelde elektronen-
flitsers.
2
Bij het gebruik van de adapter SCA-3502 (vanaf versie 5) kan de witbalans (zie p.
33) voor een correcte kleurweergave op Automatisch worden gezet.
3
Het gebruik van systeemflitsapparaten van andere camerafabrikanten, alsook
SCA-adapters voor andere camerasystemen, wordt niet geadviseerd, omdat de
afwijkende bezetting van contacten tot verkeerde werking of zelfs tot schade kan
leiden.
4
Als u flitsers gebruikt die niet speciaal aan de Leica S zijn aangepast, dient u de
witbalans van de camera evt. handmatig op in te stellen.
5
Het geopende diafragma van het objectief en de gevoeligheid moeten evt. hand-
matig op het flitsapparaat worden ingesteld.
FLITS-SYNCHRONISATIETIJD
De flitssynchronisatietijd van de Leica S bedraagt bij gebruikelijke flits-
processen, d.w.z. door instelling van het sluitertijden-instelwiel op
(zie p. 8) met de spleetsluiter van de camera
1
/
125
s. Als u de centraal-
sluiter van dergelijk uitgeruste objectieven (zie p. 24/65) gebruikt,
staan er u zelfs alle sluitertijden t/m
1
/
1000
s ter beschikking.
Met systeem-compatibele HSS-flitsers -(zie p. 54) kunt u ook alle kor-
tere sluitertijden gebruiken.
Vooral studioflitsinstallaties hebben vaak flitstijden die aanzienlijk
langer dan de genoemde synchronisatietijden zijn. Om de hoeveelheid
licht van deze flitsers volledig te kunnen gebruiken, zijn langere tijden
raadzaam.
Opmerkingen:
Bij alle sluitertijden t/m de synchronisatietijd
1
/
125
s zal er in de zoeker
een
X oplichten (2.5b), als aanduiding dat u met deze tijden normaal
kunt flitsen.
Als het sluitertijden-instelwiel is ingesteld op
, zullen de ingestelde
belichtingsprogramma's evt. wegens de vastgelegde sluitertijden
anders worden ingesteld, d.w.z. van
op , ofwel van op
(zie p. 42). Als er weer een sluitertijd wordt vastgelegd
zullen de oorspronkelijke programma's weer worden ingesteld
Als u de Leica SF 58 (zie p. 65) gebruikt en op de camera kortere
sluitertijden instelt, d.w.z. korter dan of gelijk aan
1
/
180
s met de
spleetsluiter en
1
/
1500
s met de centraalsluiter, dan schakelt de flitser
automatisch om naar de HSS-modus (zie p. 54).
52
53
KEUZE VAN DE SYNCHRONISATIETIJD / HET SYNCHRONISA-
TIETIJD-BEREIK
Met de Leica S kunt u de sluitertijd die u in de flitsmodus in combinatie
met de belichtingsprogramma's programma- en tijdautomaat gebruikt
nauwkeurig aan de vereisten voor het motief, resp. aan uw wensen aan
de compositie aanpassen. Bovendien kunt u tussen een automatische
en meerdere handmatige instellingen kiezen.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 16/26) Auto
Slow Synch.
(5.6) en
2. in het bijbehorende submenu de automatische, van het objectief
afhankelijke instelling -
1/f, ofwel of u zelf een bepaalde sluitertijd
wilt vastleggen -
Manual Setting.
3. In het submenu
Manual Setting bepaalt u het gebied van de toelaat-
bare sluitertijden door de kortste te bepalen.
Opmerkingen:
1/f leidt tot de langste sluitertijden volgens de vuistregel voor
onbewogen opnamen uit de hand, bijv.
1
/
60
s met de Summarit-S
1:2,5/70mm ASPH. Deze is echter in het menu
Manual Setting. op
1
/
125
s begrensd, ook al is de gebruikte brandpuntafstand langer.
In het instelveld in het submenu
Manual Setting verschijnt eerst de
„Basis-instelling“
1/f.
KEUZE VAN HET SYNCHRONISATIETIJDSTIP
Met de Leica S hebt u de keuze tussen het flitstijdstip aan het begin
van de belichting en de synchronisatie met het eind van de belichting.
Deze optie is beschikbaar met alle flitser, d.w.z. ook met niet-compa-
tibele flitsers, of zij in de flitsschoen zijn gezet of per kabel zijn ver-
bonden, evenals bij alle camera- en flitsinstellingen. De displays zijn in
beide gevallen gelijk.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
CAMERA (zie p. 16/26)
Flash Synch Mode (5.7) en
2. in het bijbehorende submenu de gewenste variant.
PLAATSEN VAN HET FLITSAPPARAAT
Bij het plaatsen van een flitsapparaat moet erop worden gelet dat de
voet helemaal in de flitsschoen (1.14) van de Leica S wordt geschoven
en indien aanwezig met de borgmoer tegen abusiefelijk eruit vallen
worden beschermd. Dit is vooral bij flitsapparaten met extra regel- en
signaalcontacten belangrijk omdat wijziging van de positie in de flits-
schoen de vereiste contacten onderbreekt en daardoor foutieve functies
kunnen ontstaan.
Opmerking:
Voor het plaatsen moeten camera en flitsapparaat worden uitgescha-
keld.
DE INSTELLINGEN VAN DE AUTOMATISCHE FLITSMODUS DIE
DOOR DE CAMERA WORDT GEREGELD
Nadat het flitsapparaat is ingeschakeld en in het juiste programma voor
TTL-gebruik is gezet, moet hiervoor op de Leica S
1. voor elke flitsopname eerst de belichtingsmeting door licht indrukken
van de ontspanner worden ingeschakeld, d.w.z. de weergave in de
zoeker moet overgeschakeld zijn op de sluitertijden of de lichtschaal.
Als dit door te snel en in één keer volledig indrukken van de ontspan-
ner wordt verzuimd, zal het flitsapparaat evt. niet worden geactiveerd.
2. het gewenste belichtingsprogramma, resp. de gewenste sluitertijd
en/of diafragmawaarde worden ingesteld. Let daarbij op de kortste
flitssynchronisatie-tijd, omdat deze bepaalt of er een normale opna-
meflits wordt gegeven, of een HSS-flits.
TTL-FLITSPROGRAMMA
Het volautomatische, d.w.z. door de camera gestuurde TTL-flitsprogram-
ma is met de Leica S en systeem-compatibele flitsers (zie p. 52) en in alle
belichtingsprogramma's beschikbaar.
Bovendien is er een automatische invul-flitsregeling actief. Om steeds
een uitgebalanceerde verhouding tussen flits- en omgevingslicht te
garanderen, wordt het flitsvermogen bij toenemende omgevingshelder-
heid evt. met max. 1
2
/
3
EV verminderd (bijflitsen). Als echter de aanwe-
zige helderheid een kortere synchronisatietijd vereist (
1
/
125
s bij spleet-
sluiter,
1
/
1000
s bij objectieven met centraalsluiter) of als deze handmatig
wordt ingesteld, dan zal een systeem-compatibele flitser door de camera
automatisch naar de lineaire flitsmodus worden omgeschakeld (HSS, z.
volgende sectie).
De Leica S geeft de ingestelde gevoeligheid en diafragmawaarde ook
door aan het flitsapparaat. Daarmee kan de flitser, indien hij zulke indica-
ties heeft, zijn reikwijdte-gegevens automatisch aanpassen.
Opmerkingen:
De instellingen en functies die in de volgende hoofdstukken zijn
beschreven hebben alleen betrekking op de Leica S en systeemcompa-
tibele flitsapparaten.
Een op de camera ingestelde belichtingscorrectie (zie p. 39) beïnvloedt
uitsluitend de meting van het aanwezige licht!
Wanneer u in de flitsmodus gelijktijdig een correctie van de TTL-flitsbe-
lichtingsmeting wenst parallel of tegengesteld, moet u deze boven-
dien (op het flitsapparaat) instellen!
Meer informatie over de flitsmodus, vooral in combinatie met andere,
niet speciaal op de Leica S afgestemde flitsapparaten, evenals de ver-
schillende programma's van de flitsapparaten, staat in de betreffende
handleiding.
LINEAIRE FLITSMODUS HSS (HIGH SPEED SYNCHRONIZATION)
Het volautomatische, d.w.z. door de camera gestuurde HSS-flitspro-
gramma is met de Leica S en systeem-compatibele flitsers (zie p. 52)
met alle sluitertijden en in alle belichtingsprogramma's van de camera
beschikbaar. Deze wordt door de camera automatisch geactiveerd als
de gekozen of berekende sluitertijd korter is dan de synchronisatietijd,
d.w.z.
1
/
180
s met spleetsluiter; als de flitser juist is ingesteld hoeft de
fotograaf voor deze omschakeling verder niets te doen.
STROBOSCOPISCH FLITSEN MET SYSTEEMCOMPATIBELE
FLITSAPPARATEN
Deze flitsmethode, waarbij meerdere malen na elkaar tijdens een belich-
ting wordt geflitst, is met alle belichtingsprogramma's van de camera
mogelijk.
Met de programma's
en stelt de camera automatisch de nodige
sluitertijd in die voor het gekozen flits-aantal en de frequentie vereist is.
Als de daarvoor nodige sluitertijd overbelichting door het aanwezige licht
veroorzaakt, zal dit in de lichtschaal (2.6b) worden weergegeven.
In de programma's
en wordt een te korte sluitertijd door het knippe-
ren van de tijdindicatie (2.2a/3.12) in de zoeker en op het display aan de
bovenzijde gesignaliseerd.
De belichtingscompensatie kunt u in zulke gevallen aanpassen met het
flits-aantal en/of de flitsfrequentie en/of het diafragma en/of de sluiter-
tijd (met
en ).
Voor een geslaagde stroboscoop-opname, waarbij bijvoorbeeld meer-
dere fasen van een beweging op een beeld worden vastgehouden, zijn
het werkgebied van het flitsapparaat, het aantal flitsen, de afstand en
natuurlijk het diafragma van doorslaggevende betekenis. Informatie hier-
over vindt u in de handleiding van het betreffende flitsapparaat.
Opmerking:
De HSS-flitstechniek heeft kortere reikwijdten tot gevolg.
54
55
DE CONTROLE-INDICATIES VAN DE FLITSBELICHTING IN DE
ZOEKER VOOR SYSTEEM-COMPATIBELE FLITSAPPARATEN
In de zoeker van de Leica S ziet u een flitssymbool (2.5a) dat de indicatie
en feedback van de verschillende programma's geeft.
verschijnt ondanks het ingeschakelde en parate flitsapparaat niet:
in zulke gevallen zal de Leica S ook een ingeschakelde flitser niet kun-
nen activeren (omdat de flitser bijv. op het verkeerde programma is
ingesteld).
knippert voor de opname:
de flitser is nog niet paraat
brandt voor de opname:
de flitser is paraat
brandt na het flitsen continu verder:
de paraatheid is nog aanwezig.
Als er op de flitser een flits-belichtingscorrectie is ingesteld zal dit als
melding ± (2.8) in de zoeker verschijnen
FLITSEN MET HET BELICHTINGSPROGRAMMA
VAN FLITSAPPARATEN
Als u met het belichtingsprogramma van systeem-compatibele flitsappa-
raten werkt, zal de door het motief gereflecteerde lichthoeveelheid niet
door de camera, maar door een in het flitsapparaat geïntegreerde sensor
worden gemeten en berekend. De belichtingsprogramma's verlopen in
principe op dezelfde wijze als zonder flits. Als bij
of de flitssynchro-
nisatietijd wordt onderschreden, bijv. bij
of een kortere tijd dan de
synchronisatietijd is ingesteld, dan zal de flitser niet afgaan.
Omdat de programma's
, en op basis van het omgevingslicht al
een normaal belichte opname produceren, moet het flitsvermogen wor-
den verminderd, d.w.z. er dient een flits-belichtingscorrectie van bijv.
–1 EV tot –2 EV te worden ingesteld. Bij systeem-compatibele flitsappa-
raten wordt het op het objectief ingestelde diafragma aan het flitsappa-
raat doorgegeven en automatisch als computerdiafragma gedefinieerd.
Voor de meting wordt er met de op de camera ingestelde gevoeligheid
en eventueel ingestelde belichtingscorrecties voor het omgevingslicht
(camera) en de flits (flitser) rekening gehouden.
HANDMATIG FLITSEN MET CONSTANT FLITSVERMOGEN
Wanneer het flitsapparaat in de handmatige flitsfunctie met vol vermo-
gen of vast deelvermogen (voorzover instelbaar op het flitsapparaat)
wordt gebruikt, vindt geen regeling van de afgegeven lichthoeveelheid
plaats. De belichtingsprogramma's van de camera verlopen in principe
op dezelfde wijze als zonder flits.
Als bij
of de flitssynchronisatietijd wordt onderschreden, bijv. bij
of
een kortere tijd dan de synchronisatietijd is ingesteld, dan zal de
flitser worden onderdrukt.
Het in te stellen objectiefdiafragma resulteert uit flitsvermogen, gevoe-
ligheid en afstand tot het motief, of omgekeerd, het in te stellen gedeel-
telijke flitsvermogen resulteert uit diafragma, gevoeligheid, brandpunts-
afstand en afstand tot het motief (zie handleiding flitsapparaat).
FLITSEN VIA HET X-CONTACT
Bij aansluiting van een niet-systeem-compatibele flitser op de flits-
schoen zal er geen informatie worden overgedragen. Omdat de camera
een dergelijk flitsapparaat niet "herkennen" kan, zal het zich zo gedra-
gen alsof er geen flitser was aangesloten. U kunt de belichtingstijd hand-
matig op de flitssynchronisatietijd
1
/
125
s, resp.
1
/
1000
s met centraalslui-
ter (zie p. 25), ofwel
, of op langere tijden instellen; er wordt niet auto-
matisch omgeschakeld. De indicaties voor flitser-controle en -paraat-
heid zijn niet actief.
Als het flitsapparaat hiervoor geschikt is, kan de lichtregeling met het
automatische diafragma, d.w.z. via de sensor op het flitsapparaat, of
handmatig door middel van passend getrapt lichtvermogen plaatsvinden
(zie handleiding van het flitsapparaat).
FLITSEN VIA DE FLITSER- / DE ONDERSTE LEMO®-BUS
Via de flitseraansluiting (1.31) of de onderste LEMO
®
-bus (1.34) kunt u
flitsers of grote studio-flitsinstallaties via een kabel met een genormde
flitserstekker, ofwel met een LEMO
®
-stekker onderbreken. De LEMO
®
-
aansluiting met zijn automatische vergrendeling voorkomt dat de verbin-
ding per ongeluk kan worden onderbroken.
Omdat de camera een op deze manier aangesloten flitsapparaat niet
"herkennen" kan, zal het zich zo gedragen alsof er geen flitser was aan-
gesloten. U kunt de belichtingstijd handmatig op de flitssynchronisatie-
tijd
1
/
125
s, resp.
1
/
1000
s met centraalsluiter (zie p. 21), ofwel , of op lan-
gere tijden instellen; er wordt niet automatisch omgeschakeld. De indi-
caties voor controle en flitser gereed zijn niet actief.
WEERGAVEMODUS
KIEZEN VAN DE OPNAME- EN
WEERGAVEMODI
Na het inschakelen staat de Leica S in principe altijd in de opnamemo-
dus.
Voor de weergave van opnames kan uit twee modi worden gekozen:
-
PLAY Continu weergave
-
Auto Review. Automatische weergave na elke opname
CONTINU WEERGAVE
PLAY
Instellen van de optie
Door kort op de knop (1.21) te drukken, kunt u de normale weergavemo-
dus oproepen, waarbij het er niet toe doet of u dit
- vanuit de opnamemodus doet, d.w.z. met uitgeschakeld LCD-scherm,
of
- vanuit de opnamegegevens-weergave ((4.1), zie p. 12/26), of
- vanuit de
Auto Review.
Op het LCD-scherm verschijnt het laatst opgenomen beeld, alsook de
betreffende indicaties (4.2.1 4.2.9) (zie p. 13).
Als er echter geen beeldbestand op de geplaatste geheugenkaarten
staat, zal na het omschakelen naar weergave hierover de volgende
melding verschijnen:
No image to display.
AUTOMATISCHE WEERGAVE VAN TELKENS DE LAATSTE
OPNAME
In de modus
Auto Review. wordt elk beeld direct na de opname op
het LCD-scherm (1.23) getoond. U kunt zelf vastleggen, hoe lang de
opname moet worden weergegeven.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) Auto
Review
(5.24),
2. in het bijbehorende submenu eerst het punt
Duration en
3. in het daarna verschijnende submenu de gewenste optie, resp. tijds-
duur: (
Off, 1 Second, 3 Second, 5 Second, Hold).
Opmerkingen:
Vanuit de modus
Auto Review kunt u altijd naar de modus PLAY (z.
hierboven) omschakelen.
Zelfs opnamen die nog niet van de bufferopslag van de camera naar
een kaart zijn overgedragen – de LED (1.20) knippert nog – kunnen
meteen worden bekeken.
Daarentegen zijn de opnamen die op de kaart staan tijdens de lopen-
de gegevensoverdracht niet toegankelijk.
De Leica S slaat de opnamen volgens de DCF-Standards (Design Rule
for Camera File System) op.
Met de Leica S kunnen alleen de met Leica S-camera’s opgenomen
beelden worden getoond.
Als de beeldgegevens parallel in het JPEG- en in het DNG-formaat
worden opgeslagen (zie p. 32), zal in principe altijd het beeld van het
DNG-bestand worden weergegeven.
Wanneer u met de optie voor serie-opnamen of automatische belich-
tingsreeksen (zie p. 36/40) hebt gefotografeerd, wordt in beide weer-
gavemodi altijd eerst het laatste beeld van de serie getoond. Zie voor
selectie van andere opnamen van de serie pagina 58.
NORMALE WEERGAVE (4.1)
Om de opnamen ongestoord te kunnen bekijken, verschijnen er in de
normale weergave alleen
- de informatie in de kopregel (4.2.1 -4.2.6) en
- boven rechts een pictogram (4.2.7) dat aanduidt dat het instelwiel of
bladeren of op vergroten is ingesteld.
- als er een uitsnede wordt getoond (zie p. 58) zal er een rechthoek met
een kader binnenin verschijnen (4.2.8) dat ongeveer positie en
afmetingen van de uitsnede aanduidt.
Behalve de normale weergave kunt u ook nog kiezen uit 3 varianten met
verschillende extra informatie. Alle 4 varianten zijn in een eindeloze lus
gerangschikt.
56
57
WEERGAVE MET HISTOGRAM (4.2)
Druk (bij normale weergave) de 5-richtingsknop (1.17) 1x naar voren
(beginnend met de normale weergave) om het histogram (4.3.1) bijko-
mend in te voegen.
Het histogram verschijnt in de onderste beeldhelft.
Opmerkingen:
Het histogram is zowel bij de weergave van het volledige beeld, alsook
van een uitsnede beschikbaar (zie p. 58), maar niet bij gelijktijdige
weergave van 4 of 9 verkleinde opnamen (zie p. 59).
De histogramweergave heeft altijd betrekking op de momenteel
getoonde uitsnede van de opname (zie p. 58).
Het histogram
U kunt kiezen uit twee varianten van het histogram: ofwel gebaseerd
op de totale helderheid (
Standard), of gebaseerd op de 3 kleurkanalen
rood/groen/blauw (
RGB).
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Histogram
(5.25) en
2. in het bijbehorende submenu
Standard of RGB.
WEERGAVE MET CLIPPING-INDICATIE (4.3)
Druk (bij normale weergave) de 5-richtingsknop (1.17) 2x naar voren
(beginnend met de normale weergave) om de gebieden zonder clipping
weer te geven.
te heldere gebieden knipperen rood en te donkere blauw. Bovendien
verschijnt beneden rechts het Clipping-pictogram (4.4.1).
Opmerkingen:
De clipping-indicatie is zowel bij de weergave van het volledige beeld,
alsook van een uitsnede beschikbaar (zie p. 58), maar niet bij gelijktij-
dige weergave van 4 of 9 verkleinde opnamen (zie p. 59).
De clipping-indicatie heeft altijd betrekking op de momenteel getoonde
uitsnede van de opname (zie p. 58).
De clipping-indicatie
Via de menubediening kunt u de clipping-drempelwaarde voor de indica-
tie voor zowel de heldere, alsook de donkere gebieden instellen.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), Clipping-
Einstellung
(5.26) en
2. stel in het bijbehorende submenu de onderste en bovenste drempel-
waarde in.
De schaal toont de clipping-gebieden in verhouding tot de totale
omvang van de belichting.
INFO-WEERGAVE (4.4)
Druk (bij normale weergave) de 5-richtingsknop (1.17) 3x naar voren
(beginnend met de normale weergave) om een reeks bijkomende opna-
megegevens en een verkleind beeld te laten weergeven.
Opmerking:
Bij deze weergave-variant wordt alleen het volledige beeld weergegeven,
waarbij het er niet toe doet, of u van tevoren een uitsnede had ingesteld.
BEKIJKEN VAN ANDERE OPNAMES /
„BLADEREN“ IN HET GEHEUGEN
1. Door kort op het instelwiel (1.18, 1s) te drukken, gaat u van de bla-
deren- naar de vergrotingsmodus.
Het pictogram rechts boven toont de betreffende modus, ofwel
voor bladeren, ofwel
voor vergroten.
2. Als er
wordt weergegeven, kunt u andere opnamen uitkiezen
door aan het instelwiel te draaien.
Door naar links te draaien worden opnamen met lagere nummers
getoond en door naar rechts te draaien worden de hogere nummers
getoond. Na het hoogste en laagste nummer beginnen de in een
oneindige lus geschakelde opnames weer van voren af aan, zodat u
alle opnames in beide richtingen kunt bereiken.
Op het LCD-scherm veranderen overeenkomstig de beeld- en
bestandsnummers.
Opmerking:
U kunt dit in alle 4 weergave-varianten (zie p. 56/57) doen en bij
elke vergrotingstrap, evenals bij uitsneden die niet in het midden
staan (zie hieronder), net als bij het gelijktijdig bekijken van meer-
dere verkleinde opnamen (zie volg. p.).
VERGROTEN VAN EEN UITSNEDE
U kunt een uitsnede van de opname
- in stappen vergroten
of
- de sterkste vergroting in een stap oproepen.
In stappen vergroten
1. Door kort te drukken op het instelwiel (1.18, 1s) gaat u van de bla-
deren- naar de vergrotingsmodus.
2. Als er
verschijnt, kunt u door het instelwiel naar rechts te draaien
de zichtbare uitsnede vergroten. Hoe verder u draait, hoe sterker
de vergroting en hoe kleiner de uitsnede. Vergrotingen zijn mogelijk
in 4 stappen, totdat1 pixel van de monitor 1 pixel van de opname
weergeeft.
De rechthoek binnen het kader (4.2.8) toont de grootte van de uit-
snede en zijn oriëntatie.
Maximale vergroting in één stap
Door lang op het instelwiel te drukken (1s) kunt u van de weergave van
het volledige beeld naar de maximale vergroting gaan en terug.
Opmerkingen:
Deze optie is zowel in de blader-, alsook in de vergrotingsmodus
beschikbaar. Hij verandert de eerder gekozen modus niet, d.w.z. dat
door vervolgens aan het instelwiel te draaien, ofwel dezelfde uitsnede
van een andere opname (bij
), of een minder sterke vergroting wordt
weergegeven (bij
).
De optie is beschikbaar in elke vergrotingsstap. Als er eerder al een
uitsnede was ingesteld, zult u door te drukken eerst weer de volledige
weergave zien.
58
59
VERSCHUIVEN VAN EEN UITSNEDE
Druk de 5-richtingsknop (1.17) in de gewenste richting naar boven,
onder, rechts, of links.
De rechthoek binnen het kader (4.2.8) zal zich in de richting bewegen
waar u naartoe duwt.
GELIJKTIJDIG BEKIJKEN VAN MEERDERE
VERKLEINDE OPNAMEN
Als verschijnt, kunt u door aan het instelwiel (1.18) naar links te
draaien
- de evt. reeds vergrote opnamen weer verkleinen,
resp. als u verder draait nadat u het volledige beeld ziet,
- de gelijktijdige weergave van 4, ofwel 9 opnamen instellen.
Het groene kader markeert
- bij de weergave van 4, resp. 9 opnamen eerst een enkele opname
(die daarvoor als volledig beeld werd getoond),
- bij verder naar links draaien dan alle 9 opnamen.
SELECTIE VAN EEN VAN DE VERKLEINDE OPNAMEN
1. Druk op het instelwiel (1.18) om de selectie-optie te activeren.
De kleur van het kader verandert van groen naar rood
2. Door
- aan het instelwiel te draaien als het juiste kader groen is, ofwel
- door de 5-richtingsknop naar boven, onder, links of rechts te duwen
als het kader rood of groen is
kunt u andere opnamen selecteren.
Als het kader om een opname staat, zal het in een eindeloze lus rij
voor rij van opname naar opname springen en als het kader om alle 9
opnamen staat, zal het naar het volgende 9-opnamenblok springen.
3. Door opnieuw op het instelwiel te drukken, deactiveert u de selectie-
optie.
De kleur van het kader zal weer naar groen veranderen
4. Door het instelwiel nog eens naar rechts te draaien, kunt u de
omrande opname in stappen vergroten (zie p. 58), resp. door langer
op het instelwiel (1s) te drukken, gaat u direct terug naar de normale
weergave.
VAN GEHEUGENKAART VERWISSELEN
1. Draai het instelwiel (1.18) naar links, voorbij aan de weergave van de 9
opnamen.
Op het LCD-scherm verschijnt het keuzemenu met de weergaven van
de beide kaarten. De momenteel geactiveerde is gemarkeerd met
een groen kader.
2. Door op het instelwiel te drukken, activeert u de selectie-optie.
De kleur van het kader verandert van groen naar rood.
Opmerkingen:
Dit kan alleen als de betreffende kaart ook in de sleuf zit.
Deze kaartenwissel werkt alleen voor de weergave en dus niet voor het
opslaan van beeldgegevens (zie p. 35).
3. Door opnieuw aan het instelwiel te draaien, kunt van de ene kaart naar
de andere wisselen.
Het rode kader zal van de ene kaart naar de andere springen.
4. Door opnieuw op het instelwiel te drukken, deactiveert u de keuze-
optie en de omrande kaart wordt geactiveerd.
De kleur van het kader zal weer naar groen veranderen
BESCHERMEN VAN OPNAMES /
OPHEFFEN VAN DE WISBESCHERMING
Opmerking:
Deze functie is bei de
INFO-weergave (4.5) niet beschikbaar.
1. Druk op een van de 4 knoppen (1.21, 1.22, 1.24, of 1.25).
In het beeldveld verschijnen - 5s lang behalve de betreffende knoppen
de in deze situatie actieve knoppenfuncties
Protect, Delete en MENU.
2. Druk op de knop
Protect.
In het beeldveld verschijnt:
- de in deze situatie geldende knoppenfuncties
BACK, OK, Protect ALL en
All (indien de opname al is beschermd, verschijnt er Unprotect ALL in
plaats van
Protect ALL)
- in het midden
Protect? en rood onderstreept Single?/All? voor de betref-
fende geactiveerde opties
- - evt. het pictogram (4.2.9) van een wisbeveiligde opname. In deze geval-
len verschijnt er in het midden
Unprotect? in plaats van Protect?
3. Kies met de knop (1.25), of u alleen de zichtbare of alle afbeeldingen wilt
beveiligen, ofwel de bestaande wisbeveiliging alleen voor de zichtbare of
voor alle afbeeldingen wilt opheffen.
De betreffende weergaven wisselen: naast de knop van
All naar Single en
in het midden omgekeerd.
Opmerkingen:
Als het beveiligen, ofwel het opheffen van de wisbeveiliging, van individuele
opnamen is geactiveerd, kunt u ander opnamen oproepen door aan het
instelwiel (1.18) te draaien.
Met de knop
BACK (zie hierboven onder 2.) komt u weer naar de betreffende
normale weergave.
Met knop (1.23) kunt u direct naar het menu voor het opheffen van de wis-
beveiliging gaan, resp. van daaruit weer terug.
4. Start de beveiliging met de knop
OK, resp. het opheffen van de wisbeveili-
ging.
Op het LCD-scherm verschijnt het pictogram (4.2.9) van de wisbeveili-
ging van de opname, resp. het verdwijnt.
60
61
WISSEN VAN OPNAMES
Opmerking:
Deze functie is bei de
INFO-weergave (4.5) niet beschikbaar.
1. Druk op een van de 4 knoppen (1.21, 1.22, 1.24, of 1.25).
In het beeldveld verschijnen - 5s lang behalve de betreffende knop-
pen de in deze situatie actieve knoppenfuncties
Protect, Delete en
MENU.
2. Druk op de knop
Delete.
In het beeldveld verschijnen
- de in deze situatie actieve knoppenfuncties
BACK, Protect, OK en All
(als de opname al is beveiligd, verschijnt
Unprotect ALL in plaats van
Protect ALL)
- in het midden
Delete? en rood onderstreept Single voor de betref-
fende geactiveerde opties
- evt. het pictogram (4.2.9) van een wisbeveiligde opname. In zulke
gevallen is de knop
OK niet beschikbaar; als indicatie verandert de
kleur van de letters van zwart naar wit.
3. Kies met de knop (1.26), of u alleen het weergegeven, of alle beelden
wilt wissen.
De betreffende weergaven wisselen: naast de knop van
All naar
Single en in het midden omgekeerd.
Aanwijzingen:
Als het wissen van individuele opnamen is geactiveerd, kunt u ander
opnamen oproepen door aan het instelwiel (1.18) te draaien.
Met de knop
BACK (zie hierboven onder 2.) komt u weer naar de betref-
fende normale weergave.
Met knop (1.22) kunt u direct naar het menu voor het beveiligen van de
opnamen gaan (zie p. 60).
Als er maar een opname moet worden gewist
4. Start met de knop
OK het wissen.
Op het LCD-scherm verschijnt de volgende, niet gewiste opname.
Als dit de enige opname was, zal deze melding verschijnen:
No image
to display
Als alle opnamen moeten worden gewist
4. Druk op de
OK-knop.
Op het scherm verschijnt voor de zekerheid een vraag:
Delete ALL pic-
tures?
Opmerking:
Met de knop
BACK (zie hierboven onder 2.) komt u weer naar de betref-
fende normale weergave.
5. Bevestig en start het wissen met de knop
OK.
op het LCD-scherm verschijnt de melding:
No image to display
Opmerking:
Beveiligde opnamen worden niet gewist. Na het wissen verschijnt de
laatste (hoogste nummer) van de nog aanwezige opnamen.
OVERIGE FUNCTIES
GEGEVENSOVERDRACHT NAAR EEN COMPUTER
De Leica S is compatibel met de volgende besturingssystemen:
Microsoft
®
: Windows
®
XP / Vista
®
/ 7
®
Apple
®
Macintosh
®
: Mac
®
OS X (10.5 of hogerr)
Voor het overdragen van gegevens naar een computer is de Leica S voor-
zien van een USB 2.0-poort. Dit maakt de snelle gegevensoverdracht
naar computers met een gelijksoortige interface mogelijk. De gebruikte
computer moet, ofwel een USB-aansluiting (voor directe aansluiting van
de Leica S) hebben, of met een kaartlezer voor CF-, resp. SD-/SDHC/
SDXC-kaarten zijn uitgerust.
Opmerking:
Bij aansluiting van twee of meer apparaten op een computer door middel
van een USB-verdeler („hub“) of verlengsnoeren, kunnen er storingen
optreden.
Via USB-verbinding
Met de Leica S is de gegevensoverdracht via USB-kabel met twee ver-
schillende normen mogelijk. Daarmee wordt er rekening mee gehouden
dat sommige programma's voor de overdracht van gegevens een verbin-
ding volgens het PTP-protocol vereisen.
Bovendien bestaat altijd de mogelijkheid de camera als een extern sta-
tion („massageheugen“) te gebruiken.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26), USB Mode
(5.21) en
2. in het bijbehorende submenu
PTP of Mass Storage.
AANSLUITING EN GEGEVENSOVERDRACHT VOLGENS
PTP-PROTOCOL
Als de Leica S op
PTP is ingesteld en door de aangesloten computer
wordt herkend, gaat u als volgt te werk:
Opmerking:
Bij de gegevensoverdracht volgens PTP-standaard worden alle opnamen
op de gebruikte geheugenkaar in de computer weergegeven, als het
opslaan van beeldgegevens is ingesteld op
Sequential of Parallel (zie p.
35). Als echter
External is ingesteld, zal er geen gegevensoverdracht
plaatsvinden.
Met Windows
®
XP
®
/ Vista
®
/ 7
®
3. Verbind m.b.v. de meegeleverde LEMO
®
-USB-kabel (D) de LEMO
®
-data-
uitgangsbus (1.33) van de Leica S met een USB-bus van de computer.
Daarvoor moet eerst de klep (1.26) over de aansluiting van de camera naar
voren worden geklapt.
Met Windows
®
XP
®
Na succesvolle aansluiting verschijnt op de desktop een melding dat
de Leica S als nieuwe hardware is herkend (alleen bij de eerste aanslui-
ting!).
4. Dubbelklik op de melding (na de eerste aansluiting niet meer nodig).
Er verschijnt een pull-down-menu „S Digital Camera“ voor de gege-
vensoverdracht-assistent.
5. Klik op „OK“ en volg de aanwijzingen van de assistent om van daar de
beelden zoals gebruikelijk naar een map van uw keuze te kopiëren en
te openen.
Met Windows
®
Vista
®
/7
®
Na succesvolle aansluiting verschijnt boven de taakbalk de melding
over de installatie van de driversoftware van het toestel.
Gelijktijdig verschijnt er op het LCD-scherm van de camera
USB Con-
nection
.
De succesvolle installatie wordt bevestigd met nog een melding.
Het menu „Autoplay“ verschijnt, met verschillende apparaatopties.
4. U kunt zoals gebruikelijk –met behulp van de Windows-assistent kie-
zen uit „Import Images“ of „Open Device to View Files“ om
5. met Windows Verkenner de directory-structuur van de kaart te ope-
nen.
Met Mac
®
OS X
®
(10.5 of hoger)
1. Verbind m.b.v. de meegeleverde LEMO
®
-USB-kabel (D) de LEMO
®
-
data-uitgangsbus (1.33) van de Leica S met een USB-bus van de com-
puter. Daarvoor moet eerst de klep (1.26) over de bus van de camera
naar voren worden geopend.
Bij succesvolle verbinding tussen camera en computer verschijnt op
het LCD-scherm van de camera USB-Verbindung.
2. Open nu op de computer de „Finder“.
3. In het linker venstergedeelte in de categorie „Locaties“ op „Program-
ma’s“ klikken.
4. Nu in het rechter venstergedeelte het programma „Digitale afbeeldin-
gen“ selecteren.
Het programma wordt geopend en op de programma-titelbalk ver-
schijnt de naam „S Digital Camera“.
5. Nu kunnen de beelden met de knop „Laden“ op de computer worden
opgeslagen.
62
63
AANSLUITING EN GEGEVENSOVERDRACHT MET DE CAMERA
ALS EXTERN STATION (MASSAGEHEUGEN)
Met Windows
®
-bedrijfssystemen:
Als de Leica S via een LEMO
®
-USB-snoer (meegeleverd) met de com-
puter is verbonden, wordt deze als extern station door het besturings-
systeem herkend en krijgt hij een stationsletter toegewezen. Gebruik
Windows
®
Verkenner voor het kopiëren/opslaan van de beelden op uw
computer.
Met Mac
®
-bedrijfssystemen:
Als de Leica S via een LEMO
®
-USB-snoer (meegeleverd) met de compu-
ter is verbonden, verschijnt de geplaatste geheugenkaart als opslagme-
dium op de desktop. Gebruik de Finder voor het kopiëren/opslaan van de
beelden op uw computer.
Opmerking:
Zolang deze optie is geactiveerd, zijn alle andere camerafuncties geblok-
keerd.
Belangrijk:
Gebruik uitsluitend het meegeleverde LEMO
®
-USB-kabel (D).
Zolang gegevens van de Leica S naar de computer worden gekopieerd,
mag de verbinding in geen geval worden onderbroken door de USB-
kabel eruit te trekken, omdat anders de computer en/of de Leica S kan
vastlopen of zelfs de geheugenkaart onherstelbaar kan worden bescha-
digd.
Zolang gegevens van de Leica S naar de computer worden overgedra-
gen, mag de camera niet worden uitgeschakeld of zichzelf door onvol-
doende batterijspanning uitschakelen, omdat de computer anders kan
vastlopen. Om dezelfde reden mag de batterij bij geactiveerde verbin-
ding in geen geval worden verwijderd. Als de batterijcapaciteit tijdens
de gegevensoverdracht te laag wordt, dient u de gegevensoverdracht
te annuleren, de camera uit te schakelen (zie p. 25) en de batterij op te
laden (zie p. 18).
AANSLUITING EN GEGEVENSOVERDRACHT MET KAARTLE-
ZERS
Met een gebruikelijke kaartlezer voor CF-, resp. SD-/SDHC/SDXC-
geheugenkaarten kunnen de beeldbestanden ook naar andere compu-
ters worden gekopieerd. Deze accessoires en meer informatie vindt u in
een computerspeciaalzaak.
DATASTRUCTUUR OP DE GEHEUGENKAART
Gegevens die op een kaart zijn opgeslagen en naar een computer wor-
den gekopieerd, worden in de volgende map opgeslagen:
In de
100LEICA-, 101LEICA- enz. -mappen kunnen t/m 9999 opnamen
worden opgeslagen.
ADOBE® PHOTOSHOP® LIGHTROOM®
Adobe
®
Photoshop
®
Lightroom
®
kan gratis worden gedownload als u uw
Leica S op de homepage van Leica Camera AG registreert. Meer bijzon-
derheden staan op de registratiekaart in de verpakking van de camera.
LEICA IMAGE SHUTTLE
Met de exclusieve LEICA Image Shuttle Software kunt u de camera op
afstand bedienen met de computer, evenals de beeldgegevens direct op
de harde schijf van de computer opslaan voor „Tethered Shooting“. Alle
belangrijke camerafuncties kunnen worden bediend. Deze comfortabele
oplossing biedt u perfecte ondersteuning in de studio en "On Location".
LEICA Image Shuttle kan gratis worden gedownload als u uw Leica S op
de homepage van Leica Camera AG registreert. Meer bijzonderheden
staan op de registratiekaart in de verpakking van de camera.
SYTEEMVOORWAARDEN
Microsoft
®
Windows
®
Vista
®
/ 7
®
; Mac
®
OS X 10.6 of hoger
Bij sommige versies van Windows kan het voorkomen dat het bestu-
ringssysteem waarschuwt voor een niet aanwezige Windows-signatuur.
Negeer deze melding en ga door met de installatie.
INSTALLEREN VAN FIRMWARE-UPDATES
Leica werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling en optimalisering
van zijn producten. Omdat bij digitale camera’s zeer veel functies uit-
sluitend elektronisch worden gestuurd, kunnen enkele van deze verbe-
teringen en uitbreidingen van functies naderhand in de camera worden
geïnstalleerd.
Om deze reden biedt Leica in onregelmatige intervallen zogenaamde
firmware-updates aan.
Informatie over de daarmee verbonden wijzigingen en aanpassingen van
de uitleg in deze handleiding vindt u onder:
http://www.s.leica-camera.com/downloads-overview
Of uw camera is uitgerust met de actuele Firmware-versie, kunt u onder het
menupunt
Firmware (5.41) nakijken (zie hierover de p. 17 en 26 t/m 29).
U kunt zelf eenvoudig nieuwe firmware van onze homepage downloaden
en naar uw camera overdragen.
1. Formatteer een geheugenkaart in uw Leica S.
2. Schakel de camera uit en plaats de kaart in een geïntegreerde of met
uw computer verbonden kaartlezer.
(Een lezer is voor firmware-updates noodzakelijk).
3. Download het firmware-bestand van de link:
„https://owners.leica-camera.com/login“.
4. Sla het bestand S-X_xxx.FW in het bovenste niveau van de mapstruc-
tuur van de kaart op. X_xxx staat voor de betreffende versie.
5. Verwijder de kaart volgens de instructies van uw kaartlezer, stop de
kaart in de camera en sluit de klep. Houdt u de 5-richtingsknop (1.17)
naar voren ingedrukt en schakel de camera in met de hoofdschakelaar
(1.15) in.
De update-procedure begint. Dit kan meerdere minuten in beslag
nemen.
Na een succesvolle update zal er een melding verschijnen om dit te
bevestigen.
Opmerking:
Wanneer de batterij onvoldoende is geladen, krijgt u een overeenkom-
stige waarschuwing.
HDMI DIASHOW
Met de Leica S kunt u de opgeslagen opnamen via HDMI-kabelverbinding
op externe weergave-apparatuur in willekeurige grootte en hoge kwaliteit
bekijken.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) HDMI
(5.22),
2. in het bijbehorende submenu eerst
Resolutuion een
3. daar dan het gewenste formaat, ofwel de automatische instelling.
Opmerking:
Kies voor de beste weergavekwaliteit
1080p .
4. Kies in het eerste submenu
Slideshow.
5. Selecteer in het dan verschijnende submenu
Select Images.
In het beeldveld verschijnen
- de 4 velden (4.6.1) -
All, (4.6.2) - BACK, (4.6.3) OK en (4.6.4) - Discard
ALL
voor de knoppencombinaties die in deze situatie gelden
- de 2 velden (4.6.5) -
Select? en (4.6.6) - Single voor de betreffende
geactiveerde opties, alsook
- evt. het pictogram (4.6.7) van een reeds geselecteerde opname.
Als er maar een opname moet worden geselecteerd
6. Druk op de
OK-knop.
Op het LCD-scherm verschijnt het pictogram (4.6.7).
Als alle opnamen moeten worden geselecteerd
6. drukt u op de knop (1.25) en
In de velden (4.6.1) en (4.6.6) veranderen de gegevens.
7. bevestig met de knop
OK.
De LED (1.21) knippert tijdens het bewerken en vervolgens verschijnt
het pictogram op het LCD-scherm (4.6.7).
Opmerking:
Met de knop
BACK komt u weer bij stap 4.
Als er een selectie moet worden geannuleerd
6. Druk op de knop
OK.
In de velden (4.6.5) en (4.6.3) veranderen de gegevens
7. Ga exact zo verder als bij het hierboven beschreven selecteren van
opnamen.
Het pictogram (4.6.7) verdwijnt bij de betreffende opnamen.
8. Kies in het eerste submenu
Duration en
9. daar dan de gewenste tijd, ofwel Manual, als u de beeldwissel handma-
tig wilt regelen.
10. Selecteer vervolgens in het eerste submenu Show starten om de
diashow te starten.
In veld (4.6.3) verschijnt
END, in veld (4.6.2) BACK, in veld (4.6.4) OK
en bovendien wordt u op de lopende diashow gewezen.
11. Andere opnamen kunnen
- met de
BACK- en OK-knoppen, of
- net als bij het bekijken van opnamen op het LCD-scherm met het
instelwiel (1. 18) worden opgeroepen.
Opmerking:
Ook al is de automatische beeldwissel na een bepaalde tijd ingesteld, u
kunt toch altijd handmatig de vorige/volgende opname oproepen.
12. De diashow kan altijd door indrukken van de knop
END (1.25) worden
afgebroken.
Opmerkingen:
Als de
Auto Power Off -optie is geactiveerd (zie p. 30) zal de lopende
diashow na een bepaalde tijd worden afgebroken.
Ook tijdens een lopende diashow kunt u altijd door de ontspanner vol-
ledig in te drukken tot het 3e drukpunt (zie p. 36) een nieuwe opname
maken.
64
65
OVERIGE ZAKEN
SYSTEEMACCESSOIRES
WISSELOBJECTIEVEN
Het programma aan wisselobjectieven van het Leica S-systeem omvat
brandpuntafstanden van groothoek tot tele en ook een macro-objectief
voor close-ups. Sommige modellen zijn naar keuze met of zonder inge-
bouwde centraalsluiter verkrijgbaar - voor flitsopnamen t/m
1
/
1000
s Alle
Leica S-objectieven bieden zeer hoge lichtsterkte - gemeten aan het opna-
meformaat, en altijd de hoogste afbeeldingskwaliteit.
LEICA S-ADAPTER
Met de Leica S-Adapter kunt u objectieven van andere merken op Leica
S-camera's gebruiken. De drie zuiver mechanische bajonetadapters
kunnen geen enkele mechanische of elektrische regeling, signalen of
gegevens tussen body en objectief overdragen.
Bovendien is er nog een Leica S-adapter voor het gebruik van Hasselblad
HC-/HCD-objectieven op Leica camera's, waarmee alle functies van
deze objectieven kunnen worden toegepast.
Leica S-Adapter V
(voor objectieven van het Hasselblad V-systeem, Best.-Nr. 16 024)
Leica S-Adapter M645
(voor objectieven van het Mamiya 645-systeem, Best.-Nr. 16 025)
Leica S-Adapter P67
(voor objectieven van het Pentax 67-systeem, Best.-Nr. 16 026)
Leica S-Adapter H
(voor objectieven van het Hasselblad H-systeem, Best.-Nr. 16 030)
VERWISSELBARE INSTELGLAZEN
Er zijn voor de Leica S drie instelglazen:
Het volledig matte instelglas
(standaard, wordt meegeleverd, Best.-nr. 16 000)
Het volledig matte instelglas met raster
(Best.-nr. 16 002).
Het matglas met microprisma-ring en instelwig
(Best.-nr. 16 001)
De matte ringen worden afzonderlijk in een houder met een wisselpincet
en stofpenseel geleverd.
LEICA SF 58
Het systeem-flitsapparaat Leica SF 58 is dankzij een maximaal richtgetal
van 58 (bij ISO 100 en 105mm-instelling), een automatisch aange-
stuurde zoom-reflector, een naar keuze inschakelbare, tweede reflector,
evenals vele overige functies een krachtig en veelzijdig apparaat. Een
vast ingebouwde flitsvoet met extra regel en signaalcontacten, die voor
de automatische overdracht van een hele reeks gegevens en instellingen
dienen, maakt het zeer eenvoudig te bedienen.
(Bestellnr. 14 488)
Met de extra verkrijgbare diffuserplaat creëert u een zachte en egaale
belichting die door de sterke strooiing van het licht ook de hoek van een
18-mm objectief kan afdekken.
(Bestellnr. 14 489)
MULTIFUNCTIONELE HANDGREEP S
De multifunctionele handgreep vergemakkelijkt door zijn vormgeving
en de goed geplaatste bedieningselementen het handling voor grootfor-
maat-opnamen. Bovendien maakt hij het gebruik van een tweede batterij
mogelijk om de capaciteit te vergroten. De bevestiging middels statief-
schroef - is eenvoudig en snel. (Bestelnr. 16 028)
HANDGREEP-LUS S
De handgreep-lus wordt aan de multifunctionele handgreep bevestigd;
deze helpt u aanzienlijk de combinatie van camera en handgreep te dra-
gen. (Bestelnr. 16 004)
PRO OPLAADAPPARAAT S
Met het oplaadapparaat S Pro kunt u de paraatheid van uw Leica S-sys-
teem aanmerkelijk verbeteren, resp. verzekeren: het kan gelijktijdig twee
batterijen opladen. (Bestelnr. 16 011)
NETVOEDING S
Als de Leica S een langere tijdsperiode stationair en/of voor zeer veel
opnamen wordt ingezet, vooral wanneer hij dan niet kan worden gecon-
troleerd, is het verstandig een continu stroomvoorziening in de vorm van
de netvoeding S te gebruiken. (Bestelnr. 16 022)
DRAADONTSPANNER S
Als u maximale bescherming tegen bewogen beelden nodig hebt, is er de
elektrische draadontspanner S. (Bestelnr. 16 029)
HDMI-KABEL
Met de HDMI-kabel kunt u bijzonder snel opnamegegevens naar weerga-
ve-apparatuur met de passende HDMI-aansluitingen overdragen. Lengte
= 1,5m (Best.nr. 14 491 / 14 492 [Jp/Tw])
ONDERDELEN Best.nr.
Camera-bajonetdeksel ..............................................................16 021
Draagriem ................................................................................ 16 006
Standaard instelglas .................................................................. 16 000
Oculairkapje ..............................................................................16 015
Lithium-Ionenbatterij ..................................................................14 429
Oplaadapparaat S (m. geïntegr. USA-netstekker, evenals
verwisselbare netstekkers voor EU, UK en AUS en autolaadkabel) . 16 009
Flits-Synchronisatiekabel S .........................................................16 031
LEMO® USB-kabel .....................................................................16 014
VEILIGHEIDSMAATREGELEN EN ONDERHOUD
ALGEMENE VOORZORGSMAATREGELEN
Gebruik de Leica S niet in de onmiddellijke nabijheid van apparatuur met
sterke magneetvelden en elektrostatische of elektromagnetische velden
(zoals inductie-ovens, magnetrons, monitoren van tv of computer, video-
speelconsoles, mobiele telefoons, zendapparatuur).
Wanneer u de Leica S op een televisie plaatst of in de onmiddellijke
nabijheid gebruikt, kan het magneetveld de beeldregistratie storen.
Hetzelfde geldt voor het gebruik in de buurt van mobiele telefoons.
Sterke magneetvelden, bijv. die van luidsprekers of grote elektromoto-
ren, kunnen de opgeslagen gegevens beschadigen, resp. de opnamen
storen.
Als de Leica S door het effect van elektromagnetische velden eens niet
goed zou functioneren, schakel hem dan uit, verwijder de batterij, doe
daarna de batterij weer in het vak en schakel de camera weer in.
Gebruik de Leica S niet in de onmiddellijke nabijheid van radiozenders
of hoogspanningsleidingen.
Deze elektromagnetische velden kunnen eveneens storingen bij de
beeldregistratie veroorzaken.
Bescherm uw Leica S tegen contact met insectensprays en andere
agressieve chemische middelen. Benzine, verdunner en alcohol mogen
ook niet voor reiniging worden gebruikt.
Bepaalde chemicaliën en vloeistoffen kunnen de body van de Leica S
resp. de coating beschadigen.
Omdat rubber en kunststoffen soms agressieve chemicaliën uitwase-
men, dienen deze niet lange tijd met de Leica S in contact blijven.
De Leica S is dankzij zijn speciale constructie in zekere mate tegen
vocht en stof beschermd. Zorg ervoor, dat geen water, zand of stof in
de camera kunnen binnendringen, bijv. bij sneeuw, regen of aan het
strand.
Zand en stof kunnen de camera en de geheugenkaarten beschadigen.
Let hier vooral op bij het wisselen van uw objectieven en het plaatsen en
verwijderen van de kaarten.
Als er toch vocht indringt, kan dit storingen en zelfs onherstelbare
schade aan de Leica S en de geheugenkaarten veroorzaken.
Als er spetters zout water op de Leica S terechtkomen, maak dan een
zachte doek nat met kraanwater, wring hem goed uit en veeg de camera
ermee af. Daarna met een droge doek goed nawrijven.
LCD-SCHERM EN DISPLAY AAN BOVENZIJDE
Wanneer de Leica S aan grote temperatuurschommelingen wordt bloot-
gesteld, kan er zich condens op de displays vormen. Wis deze voorzich-
tig met een zachte, droge doek af.
Als de Leica S bij het inschakelen zeer koud is, kunnen de LC-displays
aanvankelijk wat donkerder zijn dan gewoonlijk. Als ze warmer worden,
zullen ze hun normale helderheid weer bereiken.
Het LCD-scherm wordt in een uiterst nauwkeurig proces geproduceerd.
Zo is gegarandeerd dat van de in totaal meer dan 921.600 pixels meer
dan 99,995% correct werkt en slechts 0,005% donker blijft of altijd hel-
der is. Dit is echter geen storing en beïnvloedt de beeldweergave niet
nadelig.
SENSOR
Hoogtestraling (bijv. bij vluchten) kan pixeldefecten veroorzaken.
CONDENSATIEVOCHT
Als er zich condens op of in de Leica S heeft gevormd, moet u deze
uitschakelen en ongeveer 1 uur bij kamertemperatuur laten liggen. Als
kamer- en cameratemperatuur gelijk zijn, verdwijnt de condens vanzelf.
66
ONDERHOUD
Omdat elke vervuiling tevens een voedingsbodem voor micro-organis-
men vormt, moet de uitrusting zorgvuldig worden schoongehouden.
VOOR DE CAMERA
Reinig de Leica S uitsluitend met een zachte, droge doek. Hardnekkig
vuil moet eerst met een sterk verdund afwasmiddel worden bevochtigd
en vervolgens met een droge doek worden afgeveegd.
Camera en objectief dient u voor het verwijderen van vlekken en vinger-
afdrukken met een schone, pluisvrije doek af te vegen. Vuil in moeilijk
toegankelijke hoeken van de camerabody kan met een klein penseel
worden verwijderd. Daarbij mogen de sluiterlamellen en het spiegelop-
pervlak niet worden beschadigd, bijv. met de schacht van het penseel.
Alle mechanisch bewegende lagers en glijvlakken van uw Leica S zijn
gesmeerd. Denk eraan als u de camera langere tijd niet gebruikt: de
camera ongeveer elke drie maanden meerdere keren ontspannen om
verharsen van de smeerpunten te voorkomen. Ook is het raadzaam alle
overige bedieningselementen regelmatig te verstellen of te gebruiken.
VOOR OBJECTIEVEN
Stof op de buitenlens dient u uitsluitend met een zachte penseel of
voorzichtig met een schoon, droog en zacht microvezeldoekje te ver-
wijderen. Een dergelijk doekje wordt met het objectief meegeleverd.
Om vlekken en vingerafdrukken te verwijderen wordt met dit doekje de
lens voorzichtig vanuit het midden naar de rand in cirkelvormige bewe-
gingen gereinigd. De Leica Aquadura
®
-coating maakt het reinigen zeer
eenvoudig. Druk niet te hard, zodat deze eigenschap zo lang mogelijk
behouden blijft. Gebruik nooit aceton voor de reiniging.
Optimale bescherming van frontlenzen bij ongunstige opnameomstan-
digheden (bijv. zand, spetters zout water!) kunt u met kleurloze UVa-
filters bieden. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat ze
bij bepaalde tegenlichtsituaties en grote contrasten, zoals bij elk filter,
ongewenste reflexen kunnen veroorzaken. Het altijd raadzame gebruik
van een tegenlichtkap biedt extra bescherming tegen ongewenste vin-
gerafdrukken en regen.
VOOR DE BATTERIJ
De oplaadbare lithium-ionenbatterijen genereren stroom door interne
chemische reacties. Deze reacties worden ook door de buitentempera-
tuur en luchtvochtigheid beïnvloed. Zeer hoge en lage temperaturen
verkorten de standtijd en levensduur van de batterijen.
Verwijder in principe altijd de batterij als u de Leica S langere tijd niet
gebruikt. Anders kan de batterij na enkele weken diep worden ontladen,
d.w.z. de spanning daalt sterk, omdat de Leica S, zelfs wanneer deze is
uitgeschakeld, een geringe ruststroom verbruikt (voor de opslag van de
datum en de tijd).
Lithium-ionenbatterijen moeten in gedeeltelijk opgeladen toestand
worden bewaard, d.w.z. niet volledig ontladen of volledig opgeladen
(volgens de indicatie op het display aan de bovenzijde (1.12). Bij zeer
langdurige opslag moet de batterij ongeveer tweemaal per jaar gedu-
rende ca. 15 minuten worden opgeladen om diepe ontlading te vermij-
den.
Houd de batterijcontacten steeds schoon en vrij toegankelijk. Lithium-
ionen batterijen zijn weliswaar tegen kortsluiting beveiligd, maar toch
mag u de contacten niet in aanraking laten komen met metalen voor-
werpen, zoals paperclips of sieraden. Een kortgesloten batterij kan zeer
heet worden en ernstige brandwonden veroorzaken.
Als een batterij valt, controleert u dan daarna de behuizing en contacten
op eventuele schade. Het plaatsen van een beschadigde batterij kan de
Leica S beschadigen.
Batterijen hebben slechts een beperkte levensduur.
Geef de defecte batterijen af aan een verzamelpunt voor recycling.
Werp batterijen nooit in vuur, omdat ze anders kunnen exploderen.
VOOR HET OPLAADAPPARAAT
Wanneer het oplaadapparaat in de buurt van radio-ontvangers wordt
gebruikt, kan de ontvangst worden verstoord; zorg voor een afstand van
minimaal 1m tussen de apparaten.
Wanneer de lader wordt gebruikt, kan dit geluid (“zoemen“) veroorzaken
dit is normaal en geen storing.
Trek de netstekker van het oplaadapparaat eruit als dit niet wordt
gebruikt, omdat het ook zonder batterij (zeer weinig) stroom verbruikt.
Houd de contacten van het oplaadapparaat steeds schoon en maak
nooit kortsluiting.
VOOR GEHEUGENKAARTEN
Zolang een opname wordt opgeslagen of de geheugenkaarten worden
uitgelezen, mogen deze niet worden verwijderd, de Leica S mag niet
worden uitgeschakeld en niet aan schokken worden blootgesteld.
Geheugenkaarten moeten ter bescherming in principe uitsluitend in het
meegeleverde antistatische foedraal worden bewaard.
Bewaar geheugenkaarten niet op een plaats waar ze aan hoge tempe-
raturen, direct zonlicht, magneetvelden of statische ontlading worden
blootgesteld.
Laat de geheugenkaarten niet vallen en buig deze niet, omdat deze
anders beschadigd kunnen worden en de opgeslagen gegevens verlo-
ren kunnen gaan.
Verwijder in principe altijd de geheugenkaarten als u de Leica S langere
tijd niet gebruikt.
Raak de aansluitingen van de geheugenkaart niet aan en houd ze vrij
van vuil, stof en vocht.
Het is raadzaam de geheugenkaarten af en toe te formatteren, omdat
de fragmentering door het wissen enige geheugencapaciteit kan blok-
keren.
67
68
REINIGEN VAN DE SENSOR
Als zich stof- of vuildeeltjes aan het sensor-afdekglas hechten, kan dit,
afhankelijk van de grootte, door donkere punten of vlekken op de opna-
mes zichtbaar worden.
De Leica S kan voor reiniging van de sensor - tegen een vergoeding - naar
de Customer Care van Leica Camera AG worden gestuurd (adres: zie p.
74). Deze reiniging maakt geen deel uit van de garantie.
U kunt de reiniging ook zelf ter hand nemen; hiervoor dient de menu-
functie
Sensor Cleaning. U verkrijgt dan toegang tot de sensor via de
openstaande sluiter.
Opmerkingen:
In principe geldt: op de Leica S moet als bescherming tegen het bin-
nendringen van stof enz. in het binnenwerk van de camera altijd een
objectief of de kap van de body zijn geplaatst.
Om dezelfde reden moet het verwisselen van een objectief vlot en zo
mogelijk in een stofvrije omgeving gebeuren.
Omdat onderdelen van kunststof snel statisch worden opgeladen en
dan in toenemende mate stof aantrekken, dient u kappen van de objec-
tieven en body slechts kort in de zakken van uw kleding te bewaren.
Instellen van de functie
1. Selecteer in het menu, in het gedeelte
SETUP (zie p. 17/26) Sensor
Cleaning
(5.23).
het submenu verschijnt.
2. Bevestig bij voldoende batterijcapaciteit, d.w.z. bij minstens 60% - in
het submenu de functie.
Er verschijnt een melding
Please switch off camera after inspection.
Opmerking:
Wanneer de batterijcapaciteit echter minder is, verschijnt in plaats
daarvan de waarschuwing
Attention - Battery too low for sensor cleaning
als melding dat de optie niet beschikbaar is, d.w.z.
Yes niet kan worden
gekozen
3. Druk de ontspanner (1.1) in. De sluiter opent en blijft vervolgens open.
4. Voer de reiniging uit. Neem daarbij beslist de onder „Notes“ volgende
aanwijzingen in acht:
5. Na succesvolle reiniging wordt de sluiter door uitschakelen van de
camera weer gesloten.
Er verschijnt een melding
Attention - Please stop sensor cleaning
immediately
Opmerkingen:
Om verdere vervuiling te vermijden, dienen inspectie en reiniging van
de sensor zo mogelijk in een stofvrije ruimte plaats te vinden.
Bij de inspectie voor en na de reiniging is een loep met 8-voudige of
10-voudige vergroting zeer nuttig.
Zwak hechtend stof kan met schoon, evt. geïoniseerd gas, zoals lucht
of stikstof van het sensor-beschermglas worden geblazen. Hiervoor
kan een (rubber-) blaasbalg zonder penseel worden gebruikt. Ook spe-
ciale, drukloze reinigingssprays, zoals „Tetenal Antidust Professional“
kunnen volgens hun gebruiksaanwijzing worden gebruikt.
Als de hechtende deeltjes op de beschreven wijze niet zijn te verwijde-
ren, kunt u contact opnemen met de Leica Infodienst (adres: zie p. 74).
Als de batterijcapaciteit bij geopende sluiter terugloopt tot minder dan
40%, verschijnt op het LCD-scherm de waarschuwing: "
Attention Ple-
ase stop sensor cleaning immediately
". Gelijktijdig volgt een aanhouden-
de pieptoon die alleen door uitschakelen van de camera kan worden
beëindigd. Door het uitschakelen wordt de sluiter ook weer gesloten.
Let er beslist op het venster van de sluiter in zo’n geval vrij te houden,
d.w.z. om schade te voorkomen mag geen voorwerp het sluiten van de
sluiter verhinderen!
Belangrijk:
Leica Camera AG is niet aansprakelijk voor schade die door de gebrui-
ker bij het reinigen van de sensor wordt veroorzaakt.
Probeer niet stofdeeltjes met de mond van het sensor-beschermglas te
blazen; de kleinste druppeltjes speeksel kunnen al moeilijk te verwijde-
ren vlekken veroorzaken.
Persluchtreinigers met hoge druk mogen niet worden gebruikt omdat
deze ook schade kunnen veroorzaken.
Voorkom zorgvuldig dat het sensoroppervlak bij inspectie en reiniging
met een of ander hard voorwerp in aanraking komt.
OPBERGEN
Als u de Leica S voor langere tijd niet gebruikt, is het raadzaam
a. hem uit te schakelen (zie p. 25),
b. de geheugenkaarten uit de camera te nemen (zie p. 21) en
c. de batterij te verwijderen (zie p. 21), (na uiterlijk 3 maanden gaan de
ingevoerde tijd en datum verloren, zie p. 30).
E en objectief werkt als een brandglas als het volle zonlicht frontaal op de
camera staat. De camera moet daarom in geen geval zonder bescher-
ming tegen fel zonlicht worden weggelegd. Het plaatsen van een objec-
tiefkap, het opbergen van de camera in de schaduw (of meteen in de tas)
draagt ertoe bij interne schade aan de camera te voorkomen.
Bewaar de Leica S op een droge, voldoende geventileerde plaats die
bescherming biedt tegen hoge temperatuur en vochtigheid. De Leica S
moet bij gebruik in een vochtige omgeving beslist vrij zijn van alle vocht
alvorens u de camera opbergt.
Fototassen die bij gebruik nat zijn geworden, moeten worden leeg-
gemaakt om beschadiging van uw uitrusting door vocht en eventueel
vrijkomend leerlooimiddel uit te sluiten.
Ter bescherming tegen schimmelvorming (fungus) bij gebruik in een
vochtig, tropisch klimaat moet de camera-uitrusting zo veel mogelijk in
luchtdichte verpakkingen worden opgeborgen. Dit is echter alleen raad-
zaam als u ook droogmiddel, zoals silica-gel gebruikt.
Bewaar de
Sensor Cleaning S ter vermijding van schimmelvorming ook
niet langere tijd in een leren tas.
Bewaar de
Sensor Cleaning S in een droge omgeving bij voorkeur in een
gesloten en gestoffeerde tas of doos, zodat er niets tegenaan kan schu-
ren en stof op afstand wordt gehouden.
Noteer de serienummers van uw
Sensor Cleaning S en de objectieven,
omdat die in geval van verlies uitermate belangrijk zijn.
69
70
TREFWOORDENREGISTER
Aanduiding van de onderdelen ....................................................8
Accessoires
Draadontspanner S .................................................................65
Handgreep-lus S .....................................................................65
HDMI-kabel ............................................................................65
Leica SF 58 .............................................................................65
Multifunctionele handgreep S ..................................................65
Netvoeding S ..........................................................................65
Professionele batterijlader S ....................................................65
S-adapter ...............................................................................65
Synchronisatiekabel S .............................................................65
Verbindingskabel ....................................................................65
Verwisselbare instelglazen ......................................................65
Wisselobjectieven ...................................................................65
Afstandsinstelling ...................................................................... 37
Instelring ..................................................................................8
Meetveld ................................................................................ 37
Scherptediepte ....................................................................... 47
Autofocus
Ontspanprioriteit (AFc) ............................................................ 37
Scherpteprioriteit (AFs) ........................................................... 37
Batterij
Plaatsen / verwijderen ........................................................... 21
Indicaties batterijconditie ....................................................... 21
Laden .....................................................................................18
Beeldeigenschappen (contrast, scherpte, kleurverzadiging) ........35
Beeldfrequentie ........................................................................36
Bekijken van de opname ...........................................................56
met de optie PLAY ...................................................................56
met de optie Auto Review (automatische weergave) ..................56
Belichtingsregeling / belichtingsmeting
Belichtingscorrecties ..............................................................39
Belichtingsreeksen .................................................................40
Bedrijfsmodi
Diafragma-automaat .............................................................45
Handmatige instelling ...........................................................45
Langdurige belichting B ........................................................46
Programma-automaat ...........................................................44
Programma-shift ................................................................44
Tijdautomaat ........................................................................44
Meetmethoden
Centrum-georiënteerde meting .............................................38
Meerveldmeting ...................................................................38
Spotmeting ..........................................................................38
Meetwaarde-opslag ................................................................38
Over- en onderschrijding van meetbereik................................... 41
Beschermen van opnamen / opheffen van de wisbeveiliging .....60
Bestandsformaat / compressiegraad ........................................32
Compressiegraad ......................................................................32
Contrast, zie beeldeigenschappen .............................................35
Datastructuur op de geheugenkaart ...........................................63
Datum ......................................................................................30
De menubediening ....................................................................26
De menupunten ........................................................................16
Diafragma, instellen .................................................................. 42
Diafragma-automaat .................................................................45
Diafragmeerknop ...................................................................... 47
Display aan de bovenzijde ................................................... 11/31
Helderheid instellen ................................................................ 31
DNG .................................................................................. 32/63
Draagriem .................................................................................18
Firmware-downloads .................................................................64
Flitsers ................................................................................52/65
Flitsmodus
Algemeen ............................................................................... 52
Computer-automaat ................................................................55
Flitsapparaat monteren ...........................................................53
Flits-belichtingscorrecties .......................................................54
Flitseraansluiting.....................................................................55
Handmatig flitsen met constant flitsvermogen .........................55
Indicaties voor controle en paraatheid .....................................55
Lineair flitsprogramma (HSS) ...................................................54
Stroboscoop-flitsprogramma ...................................................54
Synchronisatie ........................................................................53
Synchronisatietijd / synchronisatietijd-bereik ....................52/53
TTL-flitsprogramma .................................................................54
Formatteren van geheugenkaarten .............................................50
Gegevensoverdracht naar een computer .................................... 62
Geheugenkaarten
Keuze van de geheugenkaart ............................................ 21/60
Opslag van beeldgegevens ......................................................35
Plaatsen en verwijderen .......................................................... 21
Geluiden (knopbevestigingstonen, terugmelding) ....................... 31
Gevoeligheid .............................................................................34
GPS .......................................................................................... 51
HDMI ........................................................................................64
Histogram ........................................................................... 13/57
Hoofdschakelaar .......................................................................25
In- / uitschakelen .....................................................................25
Automatisch uitschakelen .......................................................30
Indicaties
In de zoeker ............................................................................10
Op het display aan de bovenzijde ............................................ 11
Op het LCD-scherm ................................................................ 12
Informatiedienst, Leica ..............................................................74
Instelglazen .........................................................................23/66
Verwisselen ............................................................................23
Internet / Leica homepage ........................................................74
ISO-gevoeligheid .......................................................................34
Kaartlezer .................................................................................63
Kleurruimte ...............................................................................35
Kleurverzadiging, zie beeldeigenschappen .................................35
LCD-scherm ........................................................................ 12/31
Helderheid / belichting instellen ............................................. 31
Leveringsomvang ........................................................................7
Lineair flitsen, zie onder flitsfunctie
Wissen van de opname ............................................................. 61
afzonderlijke opnamen ............................................................ 61
alle opnamen op de geheugenkaarten ..................................... 61
Massageheugen ........................................................................63
Menutaal ..................................................................................30
Objectieven, Leica S ............................................................24/66
Plaatsen en verwijderen ..........................................................24
Onderdelen, benaming van de .....................................................8
Onderhoudstips ........................................................................ 67
Ontspanner, zie ook sluiter en technische gegevens ............ 36/73
Opname- en weergavemodi ................................................ 35/36
Programma-automaat ................................................................44
PTP ..........................................................................................62
RAW data / DNG ............................................................... 32/63
Reparaties / Leica Customer-Care ............................................ 74
Reserve-onderdelen ..................................................................65
Resolutie ..................................................................................32
Ruisvermindering ......................................................................46
Scherpte / beeldeigenschappen ...............................................35
Scherpte instellen ..................................................................... 37
Autofocus ............................................................................... 37
Handmatige instelling ............................................................. 37
Scherptediepte ......................................................................... 47
Sensor, Reinigen .......................................................................68
Serie-opnamen .........................................................................36
Sluitertijd instellen ....................................................................42
Spiegel voorontspannen ............................................................ 47
Technische gegevens ................................................................72
Terugzetten van alle individuele menu-instellingen .....................49
Tijd en datum ............................................................................30
Tijdautomaat .............................................................................44
Tijdinstelwiel .............................................................................42
Uitschakeling, automatische ......................................................30
Uitsnede, kiezen van, zie weergavemodus ..................................58
USB-verbinding ......................................................................... 62
Uw Leica S opbergen .................................................................69
Vergroten, zie weergavemodus
Sluiter, zie ontspanner en technische gegevens ....................36/74
Centraalsluiter ..................................................................25/66
Spleetsluiter ...........................................................................25
Volume, instellen van de knopbevestigingstonen (terugmelding) . 31
Voorzorginstructies ...................................................................68
Waarschuwingen .........................................................................6
Waterpas ..................................................................................48
Weergavemodus .......................................................................56
Bladeren .................................................................................58
Enkele opnamen .....................................................................56
Gelijktijdig vier/negen afzonderlijke opnames ......................... 59
Keuze van de geheugenkaart ...................................................60
Selectie uitsnede ....................................................................58
Vergroten ...............................................................................58
Wisselobjectieven ...............................................................24/66
Witbalans ..................................................................................33
Automatisch ...........................................................................33
Door meting ............................................................................33
Handmatig ..............................................................................33
Vaste instellingen ....................................................................33
X-contact ..................................................................................55
Zelfontspanner ..........................................................................46
Zoeker
Indicaties................................................................................10
Oculair instellen ......................................................................25
71
72
TECHNISCHE GEGEVENS
Camera-type Leica S (Typ 006)
Digitale middenformaat-spiegelreflexcamera
Objectief-aansluiting Leica S-Bajonet
Objectiefsysteem Leica S-Objectieven
Opnameformaat / beeldverhouding 30 x 45mm / 2:3
Beeldsensor/ Resolutie Low Noise CCD-Sensor met 6µm pixel-
grootte, met microlenzen en microlenzen-shift / 7500 x 5000 (37,5MP)
Dynamische omvang 12 diafragma-stops
Kleurdiepte 16Bit
Low pass filter Geen, om maximale scherpte te kunnen overdragen;
moiré- (aliasing)-onderdrukking door externe digitale beeldbewerking
IR-filter Op sensor
Dataformaten
DNG (RAW data, ongecomprimeerd of lossless gecom-
primeerd),
DNG + JPEG fine, DNG + JPEG basic, JPEG fine, JPEG basic.
DNG-/JPEG-resolutie
DNG: 37,5MP, JPEG: 37,5MP, 9,3MP, 2,3MP
Bestandsgrootte DNG: ca. 72/42Mbyte (ongecomprimeerd /gecom-
primeerd ),
JPEG: ca. 1-16Mbyte (afhankelijk van resolutie, comprimering en beel-
dinhoud)
Bufferopslag 2GB, maximum aantal opnamen in een serie (afhanke-
lijk van de toegepaste geheugenkaart):
DNG ongecomprimeerd /gecom-
primeerd: maximaal 28/32,
JPEG:onbegrensd
Kleurruimten Adobe
®
RGB, sRGB, ECI RGB V2
Witbalans Automatisch, handmatig, 8 voorinstellingen, instelling
kleurtemperatuur.
Opslagmedium CF-kaarten (max. UDMA7), SD-kaarten t/m 2GB,
SDHC-kaarten t/m 32GB, SDXC-kaarten
Menutalen Duits, Engels, Frans, Spaans, Italiaans, Japans, traditio-
neel Chinees, vereenvoudigd Chinees, Russisch
Compatibiliteit Windows
®
XP / Vista
®
/ 7
®
; Mac
®
OS X (10.5 en
hoger)
Belichtingsregeling
Belichtingsmeting Open diafragma door het objectief (TTL)
Meetmethoden Spot (3,5%), centrum-georiënteerd, meerveldmeting (5
velden)
Meetwaarde-registratie Door indrukken tot drukpunt van de ont-
spanner, registratie van 1 opname of continu met de 5-richtingsknop
Belichtingscorrectie ±3 EV (belichtingswaarde), in halve stops
instelbaar
Automatische belichtingsreeks Naar keuze 3 of 5 opnamen, naar
keuze
1
/
2
EV, 1EV, 2EV of 3EV afwijking tussen de individuele opnamen;
afhankelijk van het ingestelde programma wijziging van de belichtingen
door diafragma en/of sluitertijd
Meetbereik (bij diafragma 2,5 en ISO100), Spotmeting: EV2,1 - 20;
Centrum-georiënteerde en meerveldmeting: EV1,1 - 20; Waarschuwing
in de zoeker bij het onder-/ overschrijden van het meetbereik Meetcel
voor aanwezig licht Meerveld-fotodiode (meting continu-licht)
Gevoeligheden
ISO100, ISO200, ISO400, ISO800, ISO1600, Automatic
Belichtingsprogramma's Programma-automaat met shift-optie
(
), Tijdautomaat ( ), Diafragma-automaat ( ), Handmatige instelling ( )
Flits-belichtingsregeling
Aansluitingen flitsers Accessoire-schoen met midden- en sturings-
contacten, LEMO
®
- of genormeerde flitseraansluiting zonder regeling
van de lichtafgifte
Synchronisatie Flitssynchronisatietijd:
1
/
125
s, resp.
1
/
1000
s bij
objectieven met centraalsluiter, langere sluitertijden toepasbaar, naar
keuze aan het begin of aan het eind van de belichting; flitsen ook moge-
lijk met kortere sluitertijden (
1
/
180
s
1
/
4000
s) met overeenkomstig uitge-
ruste flitsapparaten (HSS-modus)
Flits-meetcel Meerveld-fotodiode
Flitsbelichtingsmeting / -sturing (met Leica SF 58, resp. met systeem-
compatibele flitsers, op de camera geplaatst) Regeling door flitser
met TTL-voorflitsmeting, met automatische overdracht en aanpassing
aan gevoeligheid en ingestelde/geregelde objectiefdiafragma, alle
belichtingsprogramma's toepasbaar, automatische aanpassing van het
flitslicht-aandeel aan het aanwezige licht
HSS-flitsprogramma (met Leica SF 58, resp. met systeem-compa-
tibele flitsers, HSS-flitsprogramma met TTL-voorflitsmeting en automa-
tische TTL-HSS-regeling) Voor flitsfotografie met kortere sluitertijden
als de synchronisatietijd door het geven van meerdere flitsen heel vlug na
elkaar, automatische omschakeling naar TTL-HSS-flitsprogramma (met
het programma TTL-HSS van het flitsapparaat) indien de synchronisatietijd
wordt onderschreden
Stroboscoop-flitsprogramma (meerdere flitsen tijdens een opna-
me) Met de belichtingsprogramma's
P en A in combinatie met conforme
en overeenkomstig uitgeruste flitsers automatische aanpassing van de
belichtingstijd
Flits-belichtingscorrecties Instelbaar op flitsapparaten die daar-
mee zijn uitgerust (Leica SF 58: ±3EV in
1
/
3
EV-stappen)
Indicaties tijden flitsprogramma Paraatstatus door knipperen,
resp. constant branden van het flits-pictogram in de zoeker
Bounce-hoek flitser Automatische aanpassing aan de gebruikte
brandpuntafstand met de Leica SF 58 of conforme flitsers met motor-
zoom
73
Scherpstelling
Scherpstelling D.m.v. fasedetectie-methode
Sensor / meetveld Een centrale kruissensor, gedefinieerd d.m.v.
draadkruis op matglas
Programma's Naar keuze
AFs (single) = scherpteprioriteit, AFc (con-
tinuous) = ontspanprioriteit,
MF (manual), handmatige oversturen van de
automatische instelling te allen tijde mogelijk
Meetwaarde-registratie Door indrukken tot drukpunt van de ont-
spanner, registratie van 1 opname of continu met de 5-richtingsknop
Aandrijving In de objectieven
Displays zie p. 10
Zoekersysteem
Oculair High-Eyepoint-zoeker, dioptrieëncorrectie van -3 tot +1dpt.
instelbaar op de zoeker
Instelglazen uitwisselbaar, 3 modellen verkrijgbaar: Matglas met
microprisma-ring en instelwig (standaarduitrusting), volledig matglas met
draadkruis, volledig matglas met matrix
Zoekerveld 98 %
Vergroting 0,87x met 70mm-objectief bij stand op oneindig en 0 dpt.
Indicaties
Zoeker LCD-balk onder zoekerbeeld, verlicht; Indicaties zie p. 10
Deksel Kleuren-OLED (Organic Light Emitting Diode), lichtgevend.
Voor Displays zie p. 11
LCD-scherm 3“ kleuren-TFT-LCD-scherm met 16Mio kleuren en
921.600 pixels, ca. 100% beeldveld, max. 170° kijkhoek, anti-reflex/-vuilwe-
rend beschermglas Kleurruimte: sRGB; Voor Displays zie p. 12
Sluiter en ontspanning
Sluiter Met hoofdschakelaar selecteerbaar, in camera: microproces-
sor-gestuurde, metaal-lamellen-spleetsluiter met verticale afloop; in
Leica CS-objectieven die daarmee zijn uitgerust: centraalsluiter
Sluitertijden Handmatige instelling (bij
en ): 6s t/m
1
/
4000
s in
halve stappen (6-
1
/
1000
s met de centraalsluiter), B voor langdurige opna-
men tot maximaal 125s, Flitssynchronisatie t/m
1
/
125
s (
1
/
1000
s met de
centraalsluiter)
Automatische instelling (bij
en ): traploos van 32s t/m
1
/
4000
s (8-
1
/
1000
s met de centraalsluiter)
HSS-flitsen met alle kortere sluitertijden dan
1
/
125
s mogelijk (met de
Leica SF58 en andere HSS-compatibele, SCA 3002-standaard-flitsers)
Serie-opnamen ca. 1,5 beelden/s, max. 32/28 beelden in serie met
DNG gecomprimeerd/ongecomprimeerd; onbegrensd met JPEG
Ontspanner Drietraps: activeren van de belichtings- en scherpteme-
ting meetwaarderegistratie ontspannen
Zelfontspanner voorlooptijd naar keuze 2 of 12 sec. (indicatie door
knipperende lichtdiode (LED) aan de voorzijde van de camera evenals
indicatie op het LCD-scherm).
Spiegel-voorontspanning 1. Ontspannen: de klapspiegel klapt
omhoog, het diafragma wordt op de ingestelde waarde gesloten, 2e keer
ontspannen: sluiter loopt af
In-/uitschakelen van de camera Met de hoofdschakelaar op het
display aan de bovenzijde; naar keuze ook automatisch uitschakelen na
ca. 2/5/10 minuten
Stroomvoorziening 1 Lithium-ionenbatterij, nominale spanning
7,4V, capaciteit 2100mAh, capaciteitsindicatie op het display aan de
bovenzijde Capaciteit Opname-aantal CIPA
Oplaadapparaat Ingangen: wisselspanning 100-240V, 50/60Hz,
automatische omschakeling of gelijkspanning 12/24 V; uitgang: gelijk-
stroom 7,4V, 1250mA
GPS inschakelbaar (wegens nationale wetgeving niet overal beschik-
baar, d.w.z. in deze landen automatisch gedwongen uitgeschakeld); de
gegevens worden in de EXIF-header van de beeldbestanden weggeschre-
ven.
Waterpas Meting met acceleratiesensor; meetbereik: neigen (om de
dwars-as) en kantelen (om de lengte-as) beide ±90°, meetprecisie/weer-
gavegevoeligheid: bij 0-40°C, weergave op LCD-scherm
Camerabody
Materiaal Volledig metalen body uit gegoten magnesium met sterke
coating uit kunststof; bovenste gedeelte van magnesium, bodemplaat uit
glasvezel-versterkt polycarbonaat.
Statiefschroefgat A
1
/
4
(
1
/
4
“) DIN en A
3
/
8
(
3
/
8
“) DIN (stalen delen)
met beveiliging tegen doordraaien volgens DIN 4503, in metalen statief-
plaat, in het midden onder de objectief-as
Gebruiksvoorwaarden 0 t/m +45°C, 15%-80% luchtvochtigheid
Aansluitingen ISO-flitsschoen, genormeerde flitseraansluiting,
HDMI-bus type C, 4-polige LEMO
®
-bus voor data-overdracht (USB
2.0-standaard), 7-polige LEMO
®
-bus voor besturing op afstand/
afstandsbediening flitser, contactstrip voor multifunctionele handgreep
S
Afmetingen (breedte x diepte x hoogte) ca. 160 x 80 x 120mm
Gewicht ca. 1260g (m. batterij)
Leveringsomvang Oplaadtoestel 100-240V met geïntegreerde
USA-netstekker en verwisselbare netstekkers (Euro, GB, AUS) en
autolaadkabel, lithium-ionenbatterij, LEMO
®
-USB-kabel, LEMO
®
-
synchronisatiekabel, draagriem, bajonetdeksel, oculairkapje, software:
Leica Image Shuttle, Adobe
®
Photoshop
®
Lightroom
®
(kan na registratie
van de camera van de Camera AG-Homepage worden gedownload, zie
p. 63)
Wijziging in constructie, uitvoering en aanbod voorbehouden.
74
LEICA AKADEMIE
Naast hoogwaardige producten uit de topklasse voor observatie tot en
met weergave bieden wij reeds vele jaren als bijzondere service in de
Leica Akademie praktijkgerichte seminars en opleidingen aan. Hier kun-
nen zowel beginners als gevorderde fotografieliefhebbers kennis verga-
ren over fotografie, projectie en vergroting.
De inhoud van de cursussen die in modern uitgeruste cursusruimten
in de fabriek in Solms en in het nabijgelegen landgoed Altenberg worden
verzorgd door een geschoold team van vakdocenten varieert van alge-
mene fotografie tot interessante specialisaties en omvat een overvloed
aan suggesties, informatie en adviezen voor in de praktijk.
Nadere inlichtingen en het actuele seminarprogramma, inclusief de foto-
reizen, zijn verkrijgbaar bij:
Leica Camera AG
Leica Akademie
Oskar-Barnack-Str. 11
D-35606 Solms
Tel.: +49 (0) 6442-208-421
Fax: +49 (0) 6442-208-425
la@leica-camera.com
LEICA INFORMATIEDIENST
Technische vragen over het Leica-programma worden schriftelijk, telefo-
nisch of per e-mail beantwoord door de Leica informatiedienst:
Leica Camera AG
Informations-Service
Postfach 1180
D-35599 Solms
Tel.: +49 (0) 6442-208-111
Fax: +49 (0) 6442-208-339
info@leica-camera.com
LEICA KLANTENSERVICE
Voor het onderhoud van uw Leica-uitrusting en in geval van schade kunt
u gebruik maken van de Customer Care van Leica Camera AG of de repa-
ratieservice van een Leica-vertegenwoordiging in uw land (voor adres-
senlijst zie garantiebewijs).
Leica Camera AG
Customer Care
Solmser Gewerbepark 8
D-35606 Solms
Tel.: +49 (0) 6442-208-189
Fax: +49 (0) 6442-208-339
customer.care@leica-camera.com
76

Brauchen Sie Hilfe? Stellen Sie Ihre Frage.

Forenregeln

Missbrauch melden von Frage und/oder Antwort

Libble nimmt den Missbrauch seiner Dienste sehr ernst. Wir setzen uns dafür ein, derartige Missbrauchsfälle gemäß den Gesetzen Ihres Heimatlandes zu behandeln. Wenn Sie eine Meldung übermitteln, überprüfen wir Ihre Informationen und ergreifen entsprechende Maßnahmen. Wir melden uns nur dann wieder bei Ihnen, wenn wir weitere Einzelheiten wissen müssen oder weitere Informationen für Sie haben.

Art des Missbrauchs:

Zum Beispiel antisemitische Inhalte, rassistische Inhalte oder Material, das zu einer Gewalttat führen könnte.

Beispielsweise eine Kreditkartennummer, persönliche Identifikationsnummer oder unveröffentlichte Privatadresse. Beachten Sie, dass E-Mail-Adressen und der vollständige Name nicht als private Informationen angesehen werden.

Forenregeln

Um zu sinnvolle Fragen zu kommen halten Sie sich bitte an folgende Spielregeln:

Neu registrieren

Registrieren auf E - Mails für Leica S-E wenn:


Sie erhalten eine E-Mail, um sich für eine oder beide Optionen anzumelden.


Andere Handbücher von Leica S-E

Leica S-E Bedienungsanleitung - Deutsch - 77 seiten

Leica S-E Bedienungsanleitung - Englisch - 77 seiten

Leica S-E Bedienungsanleitung - Französisch - 78 seiten


Das Handbuch wird per E-Mail gesendet. Überprüfen Sie ihre E-Mail.

Wenn Sie innerhalb von 15 Minuten keine E-Mail mit dem Handbuch erhalten haben, kann es sein, dass Sie eine falsche E-Mail-Adresse eingegeben haben oder dass Ihr ISP eine maximale Größe eingestellt hat, um E-Mails zu erhalten, die kleiner als die Größe des Handbuchs sind.

Ihre Frage wurde zu diesem Forum hinzugefügt

Möchten Sie eine E-Mail erhalten, wenn neue Antworten und Fragen veröffentlicht werden? Geben Sie bitte Ihre Email-Adresse ein.



Info